H05

Thema B H5

  • Uitvoeren van de werkzaamheden

2

thema

B

H5: Persoonlijke Beschermingsmiddelen (PBM’s)

1 / 40
volgende
Slide 1: Slide
newEditorTechniekVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 5

In deze les zitten 40 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Thema B H5

  • Uitvoeren van de werkzaamheden

2

thema

B

H5: Persoonlijke Beschermingsmiddelen (PBM’s)

5.1 De noodzaak en juiste keuze voor PBM’s

Een PBM:

  • is een uitrusting of kledingstuk dat een individu beschermt tegen
    veiligheids- of gezondheidsrisico’s tijdens het werk.

    De functie van een PBM:

  • Is het beschermen van de drager tegen één of meer gevaren
    voor zijn veiligheid of gezondheid op het werk


3

thema

B

5.1 De noodzaak en juiste keuze voor PBM’s

Een PBM moet pas worden gebruikt als:

gevaren niet bij de bron kunnen worden weggenomen

als isolatie of afscherming onvoldoende is

als collectieve maatregelen onvoldoende zijn


4

thema

B

5.1 De noodzaak en juiste keuze voor PBM’s

De verschillende verantwoordelijkheden:

Fabrikant:
- moet PBM’s testen en voorzien van CE-markering

Werkgever/inlener:
- moet juiste PBM’s verstrekken

Werknemer:
- moet PBM’s correct gebruiken, onderhouden en controleren
- na gebruik goed opslaan




5

thema

B

5.1 De noodzaak en juiste keuze voor PBM’s

Specifieke deskundigheid nodig:

Niet alle PBM’s mag je zomaar gebruiken. Sommige PBM’s mogen alleen gebruikt worden met specifieke deskundigheid. Om je deskundigheid te kunnen aantonen is een aanvullende opleiding, instructie of toets nodig.

Voorbeelden van dergelijke PBM’s zijn:

• Onafhankelijke ademhalingsbescherming

• Valbeveiliging

• Lasbeschermingsmiddelen


6

thema

B

5.1 Oogbescherming

Draag oogbescherming bij:

  • werken met vloeistoffen

  • laswerkzaamheden

  • slijpwerkzaamheden

  • snijden en branden

  • hakken

  • boorwerkzaamheden


7

thema

B

5.1 Oogbescherming

Veiligheidsbril:

  • glazen kunststof of gehard glas

  • meestal voorzien van zijkapjes

  • beschermt tegen rondvliegende harde, scherpe deeltjes



8

thema

B

5.1 Oogbescherming

Ruimzichtbril:

  • kan over ‘gewone’ bril worden geplaatst

  • zijkant voorzien van anti-condens gaatjes

  • beschermt ogen tegen:
    - (grof) stof
    - vloeistof spatten niet gevaarlijk voor de huid
    - slijp spatten


9

thema

B

5.1 Oogbescherming

Gelaatscherm:

  • scherm van doorzichtig kunststof of metaal gaas

  • biedt géén bescherming tegen stoffen, gassen, dampen of stofdeeltjes
    die van onder kunnen komen voor werkzaamheden:
    - in bosbouw of groenvoorziening (stof deeltjes)
    - aan schakelkasten (vonken en vlambogen)
    - met hogedruk reiniging (spatten van vloeistoffen)



10

thema

B

5.1 Gehoorbescherming

Watten of propjes:

  • in het oor dragen

  • geplastificeerd

  • vervormbaar

  • dempen ongeveer 10 dB(A)



11

thema

B

5.1 Gehoorbescherming

Pluggen:

  • in het oor dragen

  • schuimrolletjes of kunststofstaafjes

  • dempen ongeveer 10 tot 15 dB(A)



12

thema

B

5.1 Gehoorbescherming

Universele oordoppen:

  • zitten vast aan beugel, om nek dragen

  • dempen ongeveer 10 tot 15 dB(A)



13

thema

B

5.1 Gehoorbescherming

Otoplastieken:

  • op maat gemaakt

  • vast of verwisselbaar geluidsfilter

  • dempen ongeveer 25 dB(A) afhankelijk van het filter



14

thema

B

5.1 Gehoorbescherming

Gehoorkappen:

  • zitten vast aan beugel

  • lijken op koptelefoon

  • dempen ongeveer 25 dB(A)



15

thema

B

5.1 Eisen aan verstrekking en gebruik

Wettelijke regels bij gehoorbescherming:

  • Bij een geluids(druk)niveau vanaf 80 dB(A) moet de werkgever
    gehoorbescherming  beschikbaar stellen

  • Bij een geluids(druk)niveau vanaf 85 dB(A) moet de werknemer
    gehoorbescherming dragen (draagplicht!)


16

thema

B




5.1 Adembescherming


Adembescherming nodig bij:

  • een laag zuurstofpercentage (zuurstoftekort)

  • een hoog concentratie aan dampen, gassen of stofdeeltjes

  • hinder door damp, gas of stof




17

thema

B




5.1 Adembescherming


Er zijn twee soorten adembescherming:

  • Filtermaskers:
    Hierbij wordt de in te ademen lucht gereinigd

  • Onafhankelijke adembescherming:
    Hierbij wordt er schone lucht uit een externe bron in het masker geblazen.
    Bijvoorbeeld via flessen, een ademluchtleiding of een ademluchtunit.




18

thema

B


  • 11

thema

B




5.1 Filtermaskers


Voorbeelden van filtermaskers:

  • half- en volgelaatsmaskers met schroefrand
    (voor bevestiging van de filterbussen)

  • half- en volgelaatsmaskers met inlegmechanisme

  • snuitjes (wegwerpmaskers)



20

thema

B

5.1 Filtermaskers

Nadelen in het gebruik van filtermaskers:

  • filtermaskers voor gasdampen kunnen verzadigd raken en doorslaan

  • stoffilters kunnen verstopt raken

  • stoffilters houden geen schadelijke gassen tegen

  • verschillende gas-damp filters bij meerdere gasdampen nodig


21

thema

B




5.1 Filtermaskers


Categorieën stoffilters (P-filters):

Hierbij vindt de indeling plaats op basis van efficiëntie (scheidend vermogen)
• P1: hinderlijke stof (bijv. gipsstof, kalkstof en krijtstof)

  • P2: schadelijke stof (bijv. houtstof, kwartsstof, glas- en steenwol)

  • P3: giftige stof (bijv. asbest - advies: een volgelaatsmasker)



22

thema

B

5.1 Filtermaskers

Aandachtpunten bij gebruik filtermaskers:

  • gebruiken als de concentratie van de verontreiniging hoger is dan de
    grenswaarde



  • controleer of het filter voldoende bescherming biedt tegen het gas, damp of stof

  • controleer of de toegepaste protectiefactor (TPF) past bij de concentratie van
    de verontreiniging


23

thema

B

De Toegepaste Protectiefactor (TPF) is een getal dat aangeeft hoe goed een masker je in de praktijk beschermt. Hierbij is ingecalculeerd dat mensen bewegen, zweten, of dat een masker soms nét niet 100% aansluit.

De grenswaarde is de maximale concentratie van een gevaarlijke stof als tijdgewogen gemiddelde over een referentieperiode. Niemand mag blootgesteld worden aan concentraties boven de grenswaarde.

5.1 Filtermaskers

Aandachtpunten bij gebruik filtermaskers:

  • gebruiken als de concentratie van de verontreiniging hoger is dan de
    grenswaarde

  • controleer of het filter voldoende bescherming biedt tegen het gas, damp of stof

  • controleer of de toegepaste protectiefactor (TPF) past bij de concentratie van
    de verontreiniging


24

thema

B

De Toegepaste Protectiefactor (TPF) is een getal dat aangeeft hoe goed een masker je in de praktijk beschermt. Hierbij is ingecalculeerd dat mensen bewegen, zweten, of dat een masker soms nét niet 100% aansluit.

5.1 Filtermaskers

Enkele typen met de bijbehorende gebruiksregels:

  • Wegwerpmasker (snuitje):
    alleen te gebruiken tegen stof (dus niet bij gassen of dampen!)

  • Half- en volgelaatsmasker met inlegmechanisme:
    alleen gebruiken tegen stof (dus niet bij gassen of dampen!)

  • Half- en volgelaatsmasker met schroefrand:
    is bruikbaar tegen stof, gassen en dampen

  • Zorg dat een volgelaatsmasker je hele gezicht bedekt



25

thema

B

5.1 Filtermaskers

Gas- en dampfilters zijn ingedeeld naar:

  • het soort gas of damp dat door de filter wordt tegengehouden
    te herkennen aan een kleurcode (ABEK-filters)

  • opnamevermogen
    categorie 1,2 of 3: kleine, gemiddelde of grote capaciteit



26

thema

B

5.1 Filtermaskers

Globaal genomen bestaan er twee soorten filtermaskers:

  • filtermaskers met een stoffilter
    (P-filters)

  • filtermaskers met een gas- of dampfilter
    (ABEK-filters)


Er bestaan ook combi-filtermaskers:

  • filtermaskers met een stoffilter in combinatie met gas- of damp filter
    (PABEK-filters)



27

thema

B




5.1 Onafhankelijke adembescherming


Voorbeelden van onafhankelijke adembescherming:

  • verseluchtkap aangesloten op compressor

  • ademautomaat aangesloten op persluchtcilinders



28

thema

B




5.1 Onafhankelijke adembescherming


Onafhankelijke adembescherming gebruiken:

  • Bij hoge of onbekende concentraties van gevaarlijke stoffen in de lucht

  • In een omgeving waar minder dan 19% zuurstof in de lucht is

  • In besloten ruimtes bij werkzaamheden waarbij de grenswaarde
    overschreden wordt




29

thema

B

5.1 Hoofdbescherming

Veiligheidshelm:

  • Biedt bescherming tegen:
    - vallende voorwerpen
    - stoten van het hoofd

  • van kunststof (want kunststof geleidt geen elektriciteit)
    daarom mogen metalen helmen in de industrie niet gebruikt worden

  • binnenwerk goed afstellen

  • binnenwerk verdeelt de klap over het hoofd

  • indien een klap opgevangen, dan meteen de helm vervangen

  • na een bepaalde periode de helm vervangen (zie gebruiksaanwijzing)





30

thema

B

5.1 Hand- en armbescherming

Veiligheidshandschoenen (soms met verlengde armbescherming):

  • Draag snijbestendige handschoenen bij het snijden.
    (bijv. vleesverwerkingsindustrie)

  • Draag uitsluitend kunststoffen of rubberen handschoenen bij het werken
    met gevaarlijke stoffen (nooit leren of stoffen handschoenen dragen).

  • Draag isolerende handschoenen om je te beschermen tegen hitte of kou.


Draag bij werkzaamheden in de buurt van draaiende delen alleen
nauwsluitende handschoenen om te voorkomen dat je gegrepen wordt.


31

thema

B

5.1 Voet- en beenbescherming

Veiligheidsschoenen:

  • met versterkte neus (beschermd de tenen tegen vallende voorwerpen)

  • met versterkte zool (beschermd de voet tegen bijvoorbeeld spijkers)

  • in de bouw zijn veiligheidsschoenen met een versterkte neus en zool verplicht

  • met antislipzool bij gladde vloeren

  • leren schoenen regelmatig invetten

  • bij contact met gevaarlijke stof of slijtage vervangen

  • bij contact met gevaarlijke stof of slijtage vervangen

  • in explosiegevaarlijk gebied, antistatisch schoeisel dragen


32

thema

B

5.1 Voet- en beenbescherming

Veiligheidslaarzen:

  • bij vloeistoffen, zoals water, zijn veiligheidslaarzen verplicht

  • bij gevaarlijke stoffen zijn veiligheidslaarzen verplicht


33

thema

B

5.1 Lichaamsbescherming

Soorten en toepassing:

  • Overall: biedt bescherming tegen vuil en draag je bij lassen en slijpen

  • Beschermende kleding: tegen gevaarlijke stoffen en bij hitte, kou en straling

  • Regenkleding: bij nat weer

  • Isolerende ondergoed: voor werk bij lage temperaturen

  • Signaleringskleding: waarbij de reflectie de zichtbaarheid vergroot

  • Wegwerpkleding: bij asbest, biologische- en radioactieve stoffen

  • Doorwerkkleding: voor werk bij slechte weersomstandigheden

  • Antistatische kleding: in omgeving met explosiegevaar


34

thema

B

5.1 Lichaamsbescherming

Regels:

  • kleding mag niet met perslucht worden schoon geblazen

  • reinig vervuilde kleding direct of wissel deze om

  • repareer kapotte kleding direct of vervang deze

  • wegwerpkleding na één keer dragen weggooien

  • draag kleding bij bewegende of draaiende delen altijd gesloten



35

thema

B