Lesbrief 1, hoofdstuk 5
Lesbrief 1, hoofdstuk 5
Waar hebben we het vorige les over gehad?
BTW
BTW
BTW = Belasting toegevoegde waarde
Op elke product/dienst wat je koopt betaald extra belasting, dit geld gaat naar de overheid.
21% = op alles
9% = op diensten, eten en drinken, lezen, post
0% = zonnepanelen en medicijnen
Een bedrijf wilt winst maken
Stel ik ga chipszzakjes verkopen op het schoolplein. Ik ga deze voor $3,49 inkopen bij de supermarkt. Ik wil $2,- winst maken. Dan word de verkoopprijs $3,49 + $2,- = $5,49.
In Nederland zou daar dan ook nog 9% btw bijkomen. Dat is $0,49. Dus de consumentenprijs is dan $5,98.
Begrippen
Inkoopprijs = voor hoeveel het product is ingekocht/de kosten voor de materialen
(bruto)winst = het geld wat voor het bedrijf is
BTW = Belasting, gaat naar de overheid
Consumentenprijs = de prijs in de winkel
Hoe ontstaat de consumentenprijs?
Slide tekst
Slide titel
Slide tekst
Gegevens Invullen
Stel ik ga zelfgemaakte armbandjes verkopen op het schoolplein. De materiaalkosten per armbandje zijn $2,10. Ik wil $3,00 winst maken. Dan wordt de verkoopprijs $2,10 + $3,00 = $5,10.
In Nederland zou daar dan ook nog 21% btw bijkomen. Dat is $1,07. Dus de consumentenprijs is dan $6,17.
Gegevens invullen
Stel ik ga smoothies verkopen op een lokale markt. Ik koop de ingrediënten (fruit, yoghurt, bekers) voor $2,85 per smoothie. Ik wil $2,15 winst maken. Dan wordt de verkoopprijs $2,85 + $2,15 = $5,00.
In Nederland zou daar dan ook nog 9% btw bijkomen. Dat is $0,45. Dus de consumentenprijs is dan $5,45.
gegevens invullen
Stel ik ga zelfgebakken koekjes verkopen op een buurtfeest. De kosten voor ingrediënten en verpakking zijn $1,80 per zakje. Ik wil $2,20 winst maken. Dan wordt de verkoopprijs $1,80 + $2,20 = $4,00.
In Nederland zou daar dan ook nog 9% btw bijkomen. Dat is $0,36. Dus de consumentenprijs is dan $4,36.
Opdrachten maken
Begrippenopdrachten
Tip: kijk naar je invulschema!
m
s