26. bouwsteen 5 en 6

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling in vogelvlucht
2.  Tussentoetsen (oud) 
3.   Bouwsteen 5: - je weet wat een hoofdzaak is; je weet wat een bijzaak is
4.  Bouwsteen 6: - je weet wat beeldspraak is; je weet het verschil tussen een feit en een mening


Schrijfdossier: zie e-mail (nog geen cijfer) of CumLaude (je hebt een cijfer). Dit geldt enkel voor hen die het Schrijfdossier hebben geüpload. Let wel: het Schrijfdossier blijft staan voor volgend jaar. 


1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling in vogelvlucht
2.  Tussentoetsen (oud) 
3.   Bouwsteen 5: - je weet wat een hoofdzaak is; je weet wat een bijzaak is
4.  Bouwsteen 6: - je weet wat beeldspraak is; je weet het verschil tussen een feit en een mening


Schrijfdossier: zie e-mail (nog geen cijfer) of CumLaude (je hebt een cijfer). Dit geldt enkel voor hen die het Schrijfdossier hebben geüpload. Let wel: het Schrijfdossier blijft staan voor volgend jaar. 


Slide 1 - Tekstslide

1. WERKWOORDSPELLING
(stap 1) Je zet de zin in een andere tijd om de pv te vinden. 
(stap 2) Je zoekt het hele werkwoord, het infinitief, van de pv.
(stap 3) Je haalt -en van het hele werkwoord van de pv af. Nu heb je de stam van het werkwoord. 

► Onthoud dat het Nederlands gebaseerd is op klanken
Plakken - de stam 'plakk' wordt de ik-vorm plak
Verhuizen - de stam 'verhuiz' wordt de ik-vorm verhuis
Beleven - de stam 'belev' wordt de ik-vorm beleef.
Weten - de stam 'wet' wordt de ik-vorm weet.
Kijken - de stam 'kijk' is hetzelfde als de ik-vorm: kijk.





Slide 2 - Tekstslide

de regels van de tegenwoordige tijd
Alle werkwoorden zijn of sterk (middeleeuws) of zwak. Voor ALLE werkwoorden gelden de volgende regels in de tegenwoordige tijd:

Het onderwerp is 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm.
Ik luister naar de docent :)

Het onderwerp is enkelvoud, maar geen 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm + t
Jij luistert ook. 

Het onderwerp staat in het meervoud ► dan krijgt de pv het hele werkwoord
Wij luisteren allemaal. 

Slide 3 - Tekstslide

En, of, dat, en de komma
  • Let op bij een zin met de woorden 'en', 'of', 'dat' en let ook op bij een komma. 
Het betekent dat de zin uit meer dan één zin bestaat. Een komma is een ademhalingspauze. 
- een signaalwoord heeft een komma (en een spatie) ervóór: 
'ik denk, dus ik besta'

  • Elke zin heeft een eigen persoonsvorm en een eigen onderwerp.
Zinnen met 'en', 'of', 'dat' en een komma bestaan dus uit meer dan één zin. Je moet dus vaker dan één keer werkwoordspelling toepassen op de persoonsvorm. 
'ik kwam, ik zag en ik overwon'

Slide 4 - Tekstslide

2. TUSSENTOETS (OUD) op 2F

Aaltsje, Floor, Sabine, Jayden en Scott maken de tussentoets (oud) van bouwsteen 04
Iris, Leon en Jesse maken de tussentoets (oud) van Bouwsteen 05
Luna, Linda en Wendy maken de tussentoets (oud) van Bouwsteen 06
Simon maakt de tussentoets (oud) van Bouwsteen 07
Emma maakt de tussentoets (oud) van Bouwsteen 08

Daarna ga je aan de slag met de vereisten (zie e-mail).

Allen: geef bij mij aan als je klaar bent met die vereisten, dan controleer ik dat en zet bij goedbevinden de bewuste toets voor jou klaar. 

Slide 5 - Tekstslide

3. THEORIE BOUWSTEEN 05
Niet alle informatie in een geschreven of gesproken tekst is even belangrijk.

Onderscheiden/herkennen
►Hoofdzaken: deze  beantwoorden wie-, wat-, waar-, wanneer- en hoe-vragen over het onderwerp. Hoofdzaken geven dus antwoord op elk van die vragen.

►Bijzaken kan je weglaten, die geven extra informatie waar de tekst zonder kan. 
Voorbeelden en dergelijke. 

Kijk in je mailbox naar de mail met de vereisten van de bouwstenen en maak de vereisten van bouwsteen 05. 

Slide 6 - Tekstslide

4a. BOUWSTEEN 6
LESDOELEN
- Je weet je het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik.
- Je kunt beide herkennen.
- Wat zijn het: spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen. 



Hierna een filmpje over Fred, koning van de spreekwoorden. 

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Figuurlijk taalgebruik
  • Figuurlijk taalgebruik wordt ook wel beeldspraak genoemd. 
  • Spreekwoorden en gezegden zijn altijd figuurlijk. Je moet ze niet letterlijk opvatten. 


Slide 9 - Tekstslide

Bij figuurlijk taalgebruik wordt er iets anders bedoeld dan dat er staat.


Wat wordt hier afgebeeld? →





Op de volgende slides quizzzvragen



Slide 10 - Tekstslide

Ik heb er een hard hoofd in of ik dit jaar ga slagen voor mijn eindexamen.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 11 - Quizvraag

Je moet goed in je oren knopen, dat je op tijd moet komen.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 12 - Quizvraag

Ik heb een wond aan mijn hoofd.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 13 - Quizvraag

Ik heb een zere keel.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 14 - Quizvraag

Er kwam geen kip naar de gratis tennisles.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 15 - Quizvraag

Mijn broer krijgt de baard in de keel.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 16 - Quizvraag

Je raadt nooit wie ik gisteren tegen het lijf liep.
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 17 - Quizvraag

4b. BOUWSTEEN 6
Op het examen Schrijven en ook Lezen en Luisteren, is het belangrijk dat je weet wanneer je met een feit en wanneer je met een mening te maken hebt.  Ken dit verschil dus goed!


LESDOELEN
- Je kunt feiten en meningen herkennen.
- Je kunt argumenten herkennen.
- Je kunt zelf feiten en meningen bedenken.

Slide 18 - Tekstslide

FEIT
  • Uitspraak over iets wat waar of niet waar is 
  • Een feit kan je controleren.

Voorbeeld
'De helft van de zestienjarigen in Nederland krijgt 50 euro kleedgeld per maand.'

Slide 19 - Tekstslide

MENING (standpunt)
  • Wat iemand ergens van vindt
  • Het is niet controleerbaar
  • Je kunt het ermee eens of oneens zijn

Voorbeeld
'Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen'

Slide 20 - Tekstslide

FEIT versus  MENING

Slide 21 - Tekstslide

ARGUMENT (onderbouwing)
  • Een argument is een uitleg waarmee je een mening   verdedigt  of verklaart
  • Een argument wordt ingeleid door een signaalwoord, zoals   want, namelijk, omdat, doordat...

Voorbeeld: 'Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen (mening/standpunt), want (signaalwoord) dan leren zij met geld omgaan (argument)'.

Slide 22 - Tekstslide

Feit of mening?

'Hij rent heel snel'.
A
feit
B
mening

Slide 23 - Quizvraag

Feit of mening?

'Vandaag is het dinsdag'
A
feit
B
mening

Slide 24 - Quizvraag

Feit of mening?

'De bladeren zijn nat'
A
feit
B
mening

Slide 25 - Quizvraag

Feit of mening?

'Zwolle telt meer dan 130.000 inwoners'
A
feit
B
mening

Slide 26 - Quizvraag

Feit of mening?
'Koken is moeilijk'
A
feit
B
mening

Slide 27 - Quizvraag

Feit of mening?

'Nederland ligt in Europa'
A
feit
B
mening

Slide 28 - Quizvraag

Schrijf in één zin of woord een feit over jezelf

Slide 29 - Open vraag

Schrijf in één woord een positieve mening over jezelf

Slide 30 - Open vraag

Over de vorige vraag
Geef een feit over jezelf. Dat kan zijn: 
ik ben Nederlander;  ik heb kort haar; ik heb lang haar; kleur ogen, etc. 
→ Een feit is te controleren. 
→ 'Ik ben schrijver' is daarom niet juist als feit: je bent student en staat niet ingeschreven als schrijver in de Kamer van Koophandel. 

Geef een positieve mening over jezelf. Dat kan zijn:
ik ben: stoer / gezellig / cool / een dierenliefhebber / grappig
→ Dit kan allemaal kloppen, want het is jouw mening. 
→ 'Ik ben schrijver' kan dus hier staan, als mening over jezelf. 

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Video

BOUWSTEEN 6: TAALBLOKKEN
2F Voorbeeld & theorie, leesleer de theorie (pg 3) en maak alle opdrachten.
Lezen en luisteren, maken: opgaven 1 t/m 8; 15; opgaven 17 t/m 19; t/m 27; opgaven 32 t/m 34 en opgaven 56 en 57.
Schrijven, maken: opgaven 1 t/m 5 en opgaven 12 t/m 14.

Woordenschat: bouwsteen 6 Argumenteren. Maak opgaven van Woordenschat tot je de lastige woorden en hun betekenis kent.

Je sluit af met de tussentoets (niet oud).

Slide 33 - Tekstslide

EINDE VAN DE LES

Slide 34 - Tekstslide