chap 1 bron G en futur proche

Bonjour
we gaan de futur proche herhalen en extra uitleg bron G
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Bonjour
we gaan de futur proche herhalen en extra uitleg bron G

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

de futur proche gebruik je om aan te geven dat je iets nog gaat doen:
ik ga pizza eten
wij gaan huiswerk maken

We noemen dit de "toekomende tijd"

Slide 3 - Tekstslide

je ziet dat we in het Nederlands het werkwoord
gaan
gebruiken in combinatie met een
heel werkwoord

het hele werkwoord is datgene wat je gaat doen

Slide 4 - Tekstslide

In het Frans werkt dat op precies dezelfde manier:
je gebruikt het werkwoord
aller
en daarbij ook 
een heel werkwoord.

net zo als in het Nederlands moet je het werkwoord 
gaan
vervoegen

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Hoe gaat dat dan?

kijk maar naar het volgende filmpje en dan wordt alles duidelijk

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

een ezelsbruggetje:
Paul eet een broodje.:
eet wordt eten, 
voeg het werkwoord gaan in de juiste vorm toe
Paul gaat een broodje eten.

Paul mange un sandwich.
mange wordt manger, 
voeg de juiste vorm van het werkwoord aller toe
Paul va manger un sandwich.

Slide 9 - Tekstslide

let op!
bij het werkwoord "aller" gebeurt er iets vreemds
je vais au cinéma
vais wordt aller
je vais aller au cinéma
(ik ga naar de bioscoop gaan)
In het Nederlands klinkt dit heel raar, maar in het Frans is dit heel normaal....

Slide 10 - Tekstslide

Zet in de futur proche:
je regarde une série.
A
je vas regarder une série.
B
je vais regarder une série.
C
je vais regarde une série
D
j'aller regarder une série.

Slide 11 - Quizvraag

welke zin staat in de futur proche?
A
Monique et Pierre vont à Paris.
B
Monique et Pierre sont allés à Paris.
C
Monique et Pierre vont aller à Paris.
D
Monique et Pierre va aller à Paris.

Slide 12 - Quizvraag

Welke zin staat niet in de futur proche?
A
Tu as mangé une pizza.
B
Tu vas manger une pizza.
C
Vous allez manger une pizza.
D
Nous allons manger une pizza.

Slide 13 - Quizvraag

Zeg in het Frans dat je huiswerk gaat maken.

Slide 14 - Open vraag

Zeg in het Frans, in de futur proche, dat jouw zus naar school gaat.

Slide 15 - Open vraag

Werkwoorden op -ir
partir = vertrekken
sortir = uitgaan

dormir = slapen
servir = dienen
sentir = ruiken

Slide 16 - Tekstslide

Présent = tegenwoordige tijd
je pars
tu pars
il/elle/on part
nous partons
vous partez
ils/elles partent
Vertaling: ik vertrek

Slide 17 - Tekstslide

Présent = tegenwoordige tijd
je pars
tu pars
il/elle/on part
nous partons
vous partez
ils/elles partent
Noteer nu het hele rijtje van het werkwoord sortir

Slide 18 - Tekstslide

Présent = tegenwoordige tijd
je pars
tu pars
il/elle/on part
nous partons
vous partez
ils/elles partent
je sors
tu sors
il/elle/on sort
nous sortons
vous sortez
ils/elles sortent

Slide 19 - Tekstslide

Passé composé = vtt
je suis parti(e)
tu es parti(e)
il est parti / elle est partie
nous sommes parti(e)s
vous êtes parti(e)(s)
ils sont partis / elles sont parties
Vertaling: 
     ik ben vertrokken

Slide 20 - Tekstslide

Passé composé = vtt
je suis parti(e)
tu es parti(e)
il est parti / elle est partie
nous sommes parti(e)s
vous êtes parti(e)(s)
ils sont partis / elles sont parties
Extra letters achter volt deelw alléén bij hulpww être:
  mnl ev      -
  vrl ev         e
  mnl mv    s
  vrl mv       es

Slide 21 - Tekstslide

Werkwoorden op -ir
partir = vertrekken             
sortir = uitgaan

dormir = slapen
servir = dienen
sentir = ruiken

être
avoir

Slide 22 - Tekstslide

Imparfait - verleden tijd
je partais
tu partais
il/elle/on partait
nous partions
vous partiez
ils/elles partaient
Vertaling: ik vertrok

Slide 23 - Tekstslide

Imparfait - verleden tijd
je partais
tu partais
il/elle/on partait
nous partions
vous partiez
ils/elles partaient
Regel:
nous-vorm présent - ons + uitgang
(= bij dit groepje ww. het zelfde als de stam)

Slide 24 - Tekstslide

Imparfait - verleden tijd
Regel:
nous-vorm présent - ons + uitgang
(= bij dit groepje ww. het zelfde als de stam)
Uitgang:
je             + ais
tu            + ais
il/elle/on + ait
nous       + ions
vous        + iez
ils/elles   + aient

Slide 25 - Tekstslide

Imparfait - verleden tijd
Zet in de imparfait:
1.    servir          nous ...
2.   dormir        elle ...

Slide 26 - Tekstslide

Imparfait - verleden tijd
Zet in de imparfait:
1.    servir          nous ...
                            nous servons -> nous servions
2.   dormir        elle ...
                             nous dormons -> elle dormait

Slide 27 - Tekstslide

wij zijn vertrokken
A
nous partirons
B
nous avons partis
C
nous sommes partis
D
nous partons

Slide 28 - Quizvraag

hij vertrekt
A
il part
B
elle part
C
il est parti
D
il partait

Slide 29 - Quizvraag

ik heb geslapen
A
je dormais
B
je dors
C
je dormirai
D
j'ai dormi

Slide 30 - Quizvraag

ga je uit?
A
tu sortiras?
B
tu sors?
C
tu sortais?
D
tu es sorti?

Slide 31 - Quizvraag

zij gaan uit
A
ils sortent
B
ils sortiront
C
elles sortent
D
ils sont sortis

Slide 32 - Quizvraag

ze zijn vertrokken
A
elles partent
B
elles partiront
C
ils ont partis
D
elles sont parties

Slide 33 - Quizvraag

ils partaient
A
zij vertrekken
B
zij vertrokken
C
zij zullen vertrekken
D
zij gaan vertrekken

Slide 34 - Quizvraag

elles partent
A
zij vertrekt
B
zij vertrekken
C
zij vertrokken
D
zij zullen vertrekken

Slide 35 - Quizvraag

nous sommes partis
A
u bent vertrokken
B
men is vertrokken
C
wij zijn vertrokken
D
jullie zijn vertrokken

Slide 36 - Quizvraag

0

Slide 37 - Video

Slide 38 - Video