Periode 3 - Les 7 Epilepsie

Epilepsie
Maar eerst even het geheugen opfrissen! :-)
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Epilepsie
Maar eerst even het geheugen opfrissen! :-)

Slide 1 - Tekstslide

Welke neurotransmitter wordt bij de ziekte van Parkinson onvoldoende aangemaakt?

A
Adrenaline
B
Acetylcholine
C
Dopamine
D
Serotonine

Slide 2 - Quizvraag

Wat is een synaps?

A
Een zenuwcel die dopamine aanmaakt
B
De contactplaats waar een prikkel van de ene zenuwcel op een andere wordt overgedragen
C
Een deel van de hersenen dat bewegingen aanstuurt
D
De beschermlaag rondom een zenuw

Slide 3 - Quizvraag

Meneer Gijssen loopt voorovergebogen met kleine schuifelpasjes. Hij heeft moeite om te beginnen met lopen. Welke verschijnselen van Parkinson herken je?

A
Bewegingsarmoede en startproblemen
B
Tremoren en hallucinaties
C
Geheugenverlies en psychose
D
Spierzwakte en gevoelsverlies

Slide 4 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste verschil tussen de ziekte van Parkinson en parkinsonisme volgens de theorie?

A
Parkinsonisme komt alleen bij jonge mensen voor
B
Parkinsonisme geeft geen problemen met bewegen
C
Bij parkinsonisme kunnen de klachten bijvoorbeeld door medicijnen worden veroorzaakt
D
Parkinsonisme ontstaat altijd door een tekort aan dopamine

Slide 5 - Quizvraag

Waarom moet parkinsonmedicatie zeer stipt op de afgesproken tijden worden gegeven?

A
De medicatie geneest Parkinson als deze precies op tijd wordt gegeven
B
De medicatie helpt het tekort aan dopamine aan te vullen en vermindert onder andere stijfheid en bewegingsarmoede
C
Anders krijgt de zorgvrager altijd een epileptische aanval
D
Anders ontstaat er direct dementie

Slide 6 - Quizvraag

Wat raakt beschadigd bij multiple sclerose (MS)?
A
De spieren in armen en benen
B
De beschermlaag rondom de zenuwen
C
De bloedvaten in de hersenen
D
De gewrichten

Slide 7 - Quizvraag

Welke klacht past bij MS?

A
Alleen hoge koorts
B
Wazig of dubbelzien
C
Alleen gewrichtspijn
D
Gehoorverlies

Slide 8 - Quizvraag

Een zorgvrager met MS heeft het gevoel dat zijn arm ‘slaapt’. Waar past dit bij?

A
Een gevoelsstoornis
B
Een blaasstoornis
C
Een slikstoornis
D
Een infectie

Slide 9 - Quizvraag

Waarom is het bij een zorgvrager met MS belangrijk om energie goed te verdelen?

A
Om koorts te voorkomen
B
Om vermoeidheid en terugval zoveel mogelijk te voorkomen
C
Om MS te genezen
D
Om medicatie af te kunnen bouwen

Slide 10 - Quizvraag

Waarom controleer je bij een zorgvrager met MS regelmatig de huid?

A
Omdat de huid altijd droog wordt
B
Omdat de zorgvrager warmte en kou minder goed kan voelen
C
Omdat MS huiduitslag veroorzaakt
D
Omdat de zorgvrager sneller blauwe plekken krijgt

Slide 11 - Quizvraag

Wat gebeurt er bij epilepsie?

A
De bloedtoevoer naar de hersenen stopt altijd
B
Er ontstaan veranderingen in de elektrische activiteit van de hersenen
C
De spieren krijgen te weinig zuurstof
D
De hersenen maken te weinig hersenvocht

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het gevolg van beschadiging van de myelineschede bij MS?

A
De spieren kunnen geen zuurstof meer opnemen
B
De prikkeloverdracht van en naar de hersenen raakt verstoord
C
De hersenen maken te weinig hersenvocht aan
D
De zenuwen geven juist te veel prikkels door

Slide 13 - Quizvraag

Bij MS wordt gesproken over ‘relapses’ en ‘remitting phases’. Wat betekent dit?

A
De klachten verdwijnen na één aanval volledig en komen niet terug
B
Perioden met verergering van klachten worden afgewisseld met rustigere perioden
C
De klachten worden alleen erger bij lichamelijke inspanning
D
De zorgvrager heeft voortdurend dezelfde klachten

Slide 14 - Quizvraag

Epilepsie
Epileptische aanval:
een abnormale ontlading in de hersenen, die tijdelijk de normale hersenfunctie onderbreekt.

  • Andere termen: convulsie, insult


Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Mogelijke symptomen
  • Veranderd bewustzijn
  • Abnormale sensaties (geur, warm gevoel)
  • Slapte
  • Stijfheid
  • Trekkingen van armen en benen
  • Apneu
  • Smakken of tuiten van de lippen
  • Wegdraaien van ogen of hoofd
  • Laterale tongbeet
  • Urineverlies

Slide 17 - Tekstslide

Welke symptomen kunnen er na een epileptische aanval aanwezig zijn?
  • Vermoeidheid
  • Postictaal
  • Spierpijn
  • Geen herinnering aan aanval

Slide 18 - Tekstslide

Classificatie aanvallen
Aanvallen worden in groepen ingedeeld afhankelijk van:
  • Waar ze in de hersenen beginnen
  • Of iemands gewaarwording is aangetast
  • Of bij de aanvallen ook andere symptomen, zoals beweging, worden waargenomen

Slide 19 - Tekstslide

Een zorgvrager staart enkele seconden voor zich uit en gaat daarna gewoon verder met wat hij deed. Welke aanval past hierbij?

A
Tonisch-klonische aanval
B
Focale aanval
C
Absence
D
Atonische aanval

Slide 20 - Quizvraag

Wat zie je tijdens de klonische fase van een tonisch-klonische aanval?


A
Het lichaam verslapt volledig zonder schokken
B
Armen, benen en gezicht schokken
C
De zorgvrager loopt doelloos rond
D
De zorgvrager staart alleen voor zich uit

Slide 21 - Quizvraag

Een zorgvrager krijgt een tonisch-klonische aanval. Wat doe je NIET?

A
De tijd opnemen
B
Harde voorwerpen verwijderen
C
Iets tussen de tanden stoppen
D
Het hoofd beschermen

Slide 22 - Quizvraag

Aanval Wat zie je?

Absence: Kort staren/afwezig, meestal enkele seconden
Tonisch-clonisch: Bewusteloos → verstijven → schokken
Myoclonisch: Korte, plotselinge spierschokken
Tonisch: Plotseling verstijven van het lichaam
Atoon: Spieren verslappen plotseling → kans op vallen

Slide 23 - Tekstslide

Links naar video's met verschillende soorten epileptische aanvallen
1. Tonisch clonisch insult
2. Absences
3. Focale aanval met intacte gewaarwording
4. Focale aanval met verminderde gewaarwording (1)
5. Focale aanval met verminderde gewaarwording (2)

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Slide 26 - Video

Slide 27 - Video

Slide 28 - Video

Slide 29 - Video

Waarom moet medicatie tegen epilepsie op vaste tijden worden gegeven?

A
Anders kan de zorgvrager misselijk worden
B
Uitstel kan een insult tot gevolg hebben
C
Anders werkt de medicatie helemaal niet meer
D
Omdat de zorgvrager anders niet kan slapen

Slide 30 - Quizvraag

Een tonisch-klonische aanval duurt langer dan vijf minuten. Wat doe je volgens de theorie?

A
De zorgvrager laten slapen
B
Nog vijf minuten afwachten
C
112 bellen
D
De zorgvrager water geven

Slide 31 - Quizvraag

Status epilepticus
Een aanval die langer dan 5–10 minuten duurt of twee of meer aanvallen zonder volledig herstel van bewustzijn.

Noodsituatie. Er kan irreversibele schade ontstaan.
Raadpleeg een arts als een aanval na 5 minuten niet voorbij is.

Slide 32 - Tekstslide

Diagnostiek
  • Anamnese en heteroanamnese
  • Elektro-encefalogram (EEG)
  • Beeldvorming hersenen
  • Bloedonderzoek, cardiale analyse, neuropsychologisch onderzoek


Slide 33 - Tekstslide

Behandeling
  • Medicamenteus
  • Niet-medicamenteus
  • Leefregels

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide


Dagelijkse medicatie:
- Anti-epileptica helpen aanvallen te voorkomen.
- Medicatie op vaste tijden innemen.
- Te laat of vergeten → grotere kans op een aanval.
- Observeer als VIG’er werking én bijwerkingen.

Een langdurige aanval couperen:
Bij een aanval die niet vanzelf stopt kan noodmedicatie zijn voorgeschreven:
- Midazolam → neusspray
- Clonazepam (Rivotril) → in de wangzak
- Diazepam (Stesolid) → rectiole

Let op! Altijd kijken wat er voorgeschreven is, niet zomaar wat geven.

Slide 36 - Tekstslide

Niet-medicamenteus:
  • Ketogeen dieet: vetrijk en koolhydraatarm dieet

  • Epilepsie operatie: deel van de hersenen waar de epileptische aanvallen ontstaan wordt verwijderd of uitgeschakeld

  • Deep Brain Stimulation: DBS

Slide 37 - Tekstslide

Sam heeft epilepsie en is al langere tijd aanvalsvrij. Zijn vriend zegt: “Jij hebt epilepsie, dus jij mag nooit zwemmen en nooit autorijden.” Wat klopt?

A
Zijn vriend heeft helemaal gelijk
B
Zwemmen mag nooit, autorijden soms wel
C
Autorijden mag nooit, zwemmen soms wel
D
Dat klopt niet: wat veilig/toegestaan is hangt af van de aanvallen en de situatie

Slide 38 - Quizvraag

“Epilepsie betekent niet dat je niets meer mag.”

Wat veilig kan, hangt af van het soort aanval, hoe vaak iemand aanvallen heeft, of iemand de aanval voelt aankomen, of het bewustzijn vermindert en hoe lang iemand aanvalsvrij is.

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide