Oefenvragen 19e Eeeuw

Beeldanalyse

Kunst gaat over denken en dromen, over het leven en de liefde. Soms is kunst geheimzinnig en
moeilijk te doorgronden of moet je er je eigen verhaal bij verzinnen. 

Er zijn verschillende manieren om kunst tot je te laten doordringen en te begrijpen; bijvoorbeeld met onderstaand model.  

Het helpt je een kunstwerk te analyseren, onderzoeken en interpreteren; je standpunt te bepalen en onderbouwen; vaardigheden die van pas komen op het Centraal Examen. 

Uitgangspunten daarbij zijn :

inhoud, vorm en functie; vragen naar wat, hoe, waarom, waar en wanneer. 



Je kunt de vragen uit het
analyseschema langsgaan om je te helpen gericht naar een kunstwerk te kijken. 


Bij de ‘wat-vraag’ gaat het om de voorstelling (inhoud): Wat zie je? Wat is het verhaal erachter? 

Wat is het idee van de kunstenaar?
‘Hoe-vragen’ gaan over vormgeving (vorm): enerzijds over materiaal en techniek, en anderzijds over
licht, kleur, vorm, ruimte en compositie en de effecten daarvan op het hele beeld.

‘Waarom-vragen’ hebben betrekking op de functie van het kunstwerk.

Met ‘waar-, wanneer- en waarvoor-vragen’ verdiep je je in de culturele en economische achtergrond.

1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
Beeldende vormingMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Beeldanalyse

Kunst gaat over denken en dromen, over het leven en de liefde. Soms is kunst geheimzinnig en
moeilijk te doorgronden of moet je er je eigen verhaal bij verzinnen. 

Er zijn verschillende manieren om kunst tot je te laten doordringen en te begrijpen; bijvoorbeeld met onderstaand model.  

Het helpt je een kunstwerk te analyseren, onderzoeken en interpreteren; je standpunt te bepalen en onderbouwen; vaardigheden die van pas komen op het Centraal Examen. 

Uitgangspunten daarbij zijn :

inhoud, vorm en functie; vragen naar wat, hoe, waarom, waar en wanneer. 



Je kunt de vragen uit het
analyseschema langsgaan om je te helpen gericht naar een kunstwerk te kijken. 


Bij de ‘wat-vraag’ gaat het om de voorstelling (inhoud): Wat zie je? Wat is het verhaal erachter? 

Wat is het idee van de kunstenaar?
‘Hoe-vragen’ gaan over vormgeving (vorm): enerzijds over materiaal en techniek, en anderzijds over
licht, kleur, vorm, ruimte en compositie en de effecten daarvan op het hele beeld.

‘Waarom-vragen’ hebben betrekking op de functie van het kunstwerk.

Met ‘waar-, wanneer- en waarvoor-vragen’ verdiep je je in de culturele en economische achtergrond.

Slide 1 - Tekstslide

Examenvragen TeHaTex gaan over:

- voorstelling, en aspecten van de voorstelling (het verhaal, de inhoud); 
- vormgeving en vormgevingsaspecten (hoe is het verhaal/de inhoud weergegeven);

aspecten van materiaal, techniek, constructie en hanteringswijze;

beeldende aspecten zoals kleur, licht, ruimte, vlak, vorm, textuur en compositie (ritme,
dynamiek of beweging en bewegingssuggestie);

zeggingskracht van het beeld (voorstelling en vormgeving gecombineerd);

- functionele aspecten, ook de culturele context speelt daarbij mee;
- standpunten ten aanzien van kunstwerken

Slide 2 - Tekstslide

Je kunt de vragen uit het analyseschema langsgaan om je te helpen gericht naar een kunstwerk te kijken. 

Bij de ‘wat-vraag’ gaat het om de voorstelling (inhoud): 
Wat zie je? Wat is het verhaal erachter?
Wat is het idee van de kunstenaar?

‘Hoe-vragen’ gaan over vormgeving (vorm): enerzijds over materiaal en techniek, en anderzijds over licht, kleur, vorm, ruimte en compositie en de effecten daarvan op het hele beeld.


‘Waarom-vragen’ hebben betrekking op de functie van het kunstwerk.

Met ‘waar-, wanneer- en waarvoor-vragen’ verdiep je je in de culturele en economische achtergrond.

Slide 3 - Tekstslide


Analyseschema 

Feitelijk Titel, kunstenaar, jaar, soort werk
(schilderij, plastiek, video, gebouw, enz.), materiaal (olieverf, marmer, enz.), afmetingen, 
waar
is het werk te zien? 

Inhoud (wat?) Wat is er te zien? (verhaal, onderwerp, sfeer)
Voorstelling Waar gaat het kunstwerk over? (titel, onderwerp)

Wat wil de kunstenaar vertellen? Wat is de boodschap, visie, het idee?

Is het werk figuratief of abstract?















Techniek/materiaal
Waarmee en hoe is het gemaakt? Aspecten van materiaal en techniek (schetsen, construeren,
assembleren, fijne of grove
techniek, sporen van bewerking, etc.)




Vorm (hoe?) Hoe en met welke middelen (waarmee) is het gemaakt?
Vormgeving



Techniek/materiaal
 Waarmee en hoe is het gemaakt? 
Aspecten van materiaal en techniek (schetsen, construeren,
assembleren, fijne of grove techniek, sporen van bewerking, etc.)

Slide 4 - Tekstslide

Beeldaspecten

Welke middelen  heeft de kunstenaar gebruikt? Wat zijn de effecten?

- Licht, lichtrichting, lichteffecten (oplichten, schaduwen, clair- obscur), soorten licht
(getemperd, fel).

- Kleur (kleursoort, -verzadiging, - helderheid, contrasten).

- Vorm (2D of 3D, vormsoort: geometrisch-organisch, hoekig, rond, grillig).

- Ruimte (formaten en volume; dimensies; open-gesloten, ruimtesuggestie door
schaduwwerking, overlapping, lijnperspectief, atmosferisch perspectief; kikvors- of
vogelperspectief).



Hoe zijn de middelen gestructureerd? Hoe is de samenhang?

- Compositie (indeling en richtingen: horizontaal, verticaal,
diagonaal; grondvorm: geometrisch, organisch, gebogen;

afsnijding door kader; patronen: herhaling, ritme; effecten: statisch, dynamisch). 

- Tijd en ruimte: website, video, performance.

Slide 5 - Tekstslide

Functie (waarom?) 

Functie (waarom?) Functie heeft betrekking op het doel van het
kunstobject. 

Enerzijds
kan dat de praktische toepasbaarheid zijn: hoe kun je iets gebruiken? Waarom heef iets een bepaalde  
vorm?
Anderzijds kan het object een levensbeschouwelijke, esthetische, politieke, economische, vermaaks-
of educatieve functie hebben. Dan hangt de betekenis samen met de functie. Waarom zijn bepaalde
keuzes in vorstelling of vormgeving gemaakt?



Context 

 
Vragen over de invloed van de tijd van ontstaan
en andere kunstenaars.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

  1. 4 Arts and Crafts en Jugendstil
Morris en de middeleeuwen
Bekijk afbeelding 4.1 en 4.2.

Red House met tuin en waterput gelegen in Bexley Heath bij Londen is ontworpen door William Morris. 
Hoewel het een negentiende-­eeuws huis is, hebben verschillende aspecten van de vormgeving een gotisch karakter.



1. Noem twee zaken uit het exterieur die verwijzen naar de middeleeuwse gotiek.

Slide 8 - Tekstslide

  1. 4 Arts and Crafts en Jugendstil
Morris en de middeleeuwen
Bekijk afbeelding 4.1 en 4.2.


1. Noem twee zaken uit het exterieur die verwijzen naar de middeleeuwse gotiek.


-­‐ De (spits)bogen doen gotisch aan. 
-­‐ Hoge steile daken bedekt met leisteen.
-­‐ Het materiaalgebruik (rode baksteen).
-­‐ De asymmetrische, grillige opzet van het huis wekt de indruk dat het niet gebouwd is
volgens een vooropgezet totaalplan.
-­‐ Ramen ingedeeld in kleine ruitjes.
-­‐ De ronde waterput met spits toelopend dak voor het huis.


Verklaar waarom in die tijd dit soort idealen opkwamen.

2. Waarom moesten Morris en Webb niets hebben van de technische ‘vooruitgang’ in hun tijd?
-­‐ Ze vonden dat de vooruitgang ten koste ging van de kwaliteit van het leven. 
-­‐ Ze vonden de industrieel geproduceerde voorwerpen lelijk en goedkoop.
-­‐ Ze waren ervan overtuigd dat een terugkeer naar traditionele ambachtelijkheid, zoals die
in de middeleeuwen bestond, een oplossing was voor de sociale problemen van die tijd.
-­‐ Ze vonden dat de goedkope fabrieksproducten die de markt overspoelden een negatieve
invloed hadden op zowel de producenten als de consumenten.

Slide 9 - Tekstslide

Afbeelding 1
 J. Vermeer: De melkmeid (ca. 1660)

Slide 10 - Tekstslide


Bekijk afbeelding 1.
Op afbeelding 1 zie je een olieverfschilderij dat Johannes Vermeer omstreeks 1660 maakte. 

Het is een dagelijks tafereeltje uit die tijd. 

Bespreek drie aspecten van de voorstelling waaruit je kunt afleiden dat Vermeer een dagelijks
tafereel heeft geschilderd. 
(CE 2012, 3 punten)

Slide 11 - Tekstslide

Toelichting: De vraag bestaat uit twee delen. Je moet drie aspecten van de voorstelling
noemen en bij elk aspect toelichten dat het om een alledaags tafereel gaat. 


Drie van de volgende  
antwoorden:

- Er is een gewone vrouw (of dienstmeid) afgebeeld, te zien aan de eenvoudige kleding: ze
draagt een schort en heeft opgestroopte mouwen.
- De vrouw verricht een alledaagse handeling: ze schenkt melk uit een kan.
- Op de tafel ligt brood voor een eenvoudige maaltijd, of: brood is dagelijks voedsel.











- De mand en/of het aardewerk zijn alledaagse gebruiksvoorwerpen.
- De vrouw bevindt zich in een sobere (keuken)ruimte met kale muren.)

Slide 12 - Tekstslide

Compositie
Aspecten van de vormgeving zijn kleur, licht (en lichteffecten), ruimte (en ruimtesuggestie), vlak, vorm (structuur), textuur, compositie, ritme. 
De compositie zorgt voor ordening van en samenhang tussen de voorstelling en de vormgeving. 

Vragen over de compositie gaan over de ordening van voorstellingsaspecten
en de effecten van kleur, licht, ruimte en vorm.



Vraag 2
Bekijk afbeelding 1.

De vrouw vormt met de tafel en het stilleven op de voorgrond één samenhangend geheel, tegen een vrij lege achtergrond.

Leg uit hoe kleur en licht deze samenhang versterken. 
(CE 2012, 2 punten)

Slide 13 - Tekstslide

Afbeelding 1
 J. Vermeer: De melkmeid (ca. 1660)

Slide 14 - Tekstslide

Toelichting:
alle drie aspecten van de vormgeving.
Het antwoordmodel geeft de volgende antwoorden (je moet zowel van kleur als van licht een aspect noemen. Als je maar een van de twee aspecten noemt, is je antwoord niet volledig):
Kleur (een van de volgende):
- De vrouw en de tafel met de voorwerpen vormen een helder gekleurd geheel (in primaire en
secundaire kleuren) dat afsteekt tegen de achtergrond, die in zachte mengkleuren is uitgevoerd of
die weinig kleur heeft.
het schilderij. 
- Vrouw en tafel met voorwerpen zijn overwegend in gele en blauwe tinten geschilderd: de  goudgele broden verbinden zich met het gele jak van de vrouw (en met de mand linksboven) en het  blauw van de doek en de kan verbindt zich met haar rok en/of het groenachtig blauw van het  
tafelkleed met haar mouwen: dat versterkt de eenheid binnen 
het schilderij.

Licht (een van de volgende):
- Het licht valt op de voorwerpen (broodjes, kan), armen en bovenlijf/hoofd van de vrouw, die
daardoor met elkaar verbonden worden (en waardoor de blik naar de handeling van het schenken wordt
getrokken).
- Het licht is evenwichtig verdeeld: het vlak is min of meer diagonaal te scheiden in een
licht en een donker deel, met de tafel en de rok van de vrouw in het donker, haar bovenlijf en
gezicht in het licht, evenals de achtergrond (waardoor de vrouw het donkere deel met het lichte
verbindt).

Slide 15 - Tekstslide

Illusionisme

Illusionisme is een bijzondere vorm van dieptewerking (of ruimtesuggestie) (vormgeving). Bij
illusionisme hangt die samen met de voorstelling: de illusie dat er echt diepte in het beeld zit.










Afbeelding 2 

Banksy: De kroonprins met zijn hond (2004)

Slide 16 - Tekstslide

Bekijk afbeelding 2.

Banksy is afkomstig uit de graffitiwereld en werkt meestal met spuitbussen en sjablonen. Zijn ratten zijn met behulp van sjablonen aangebracht, maar Banksy verbindt ze toch met hun omgeving door een soort illusionisme toe te passen.

Geef aan de hand van afbeelding 2 aan hoe hij dat doet. 

(CE 2008, 1 punt)

Slide 17 - Tekstslide

Bekijk afbeelding 2.

Banksy is afkomstig uit de graffitiwereld en werkt meestal met spuitbussen en sjablonen. Zijn ratten zijn met behulp van sjablonen aangebracht, maar Banksy verbindt ze toch met hun omgeving door een soort illusionisme toe te passen.

Geef aan de hand van afbeelding 2 aan hoe hij dat doet. 


Toelichting:

sjablonen leidt in het algemeen tot vormgeving zonder dieptewerking.
Banksy heeft toch een zekere
dieptewerking/illusionisme weten te bereiken.
De vraag is hoe hij dat heeft gedaan. 
Het antwoordmodel geeft het volgende antwoord:











- De rat (is tweedimensionaal op ware grootte afgebeeld en) heeft een (tweedimensionaal)
verfblik in zijn poten.

Het illusionistische effect zit hem in de verf die de rat uit het blik laat lopen, over de plint en de echte stoep. 

Slide 18 - Tekstslide

Voorstelling, betekenis, de kunstenaar

Vraag 5
Bekijk afbeelding 2.

Banksy identificeert zich met de rat, die hij door heel Londen op muren aanbracht.

Noem twee manieren waarop de rat met Banksy zelf in verband gebracht kan worden. 

(CE 2008, 2
punten)

Slide 19 - Tekstslide

Voorstelling, betekenis, de kunstenaar

Vraag 5
Bekijk afbeelding 2.

Banksy identificeert zich met de rat, die hij door heel Londen op muren aanbracht.

Noem twee manieren waarop de rat met Banksy zelf in verband gebracht kan worden. 

Toelichting:
Kernwoorden in de vraag zijn Banksy als graffitikunstenaar en rat. Je moet
analyseren waarom en hoe een graffitikunstenaar te werk gaat en dat vergelijken met het leven van  ratten.  

Ook kun je kijken naar de rat op afbeelding 2: hoe past wat hij doet bij wat Banksy doet?





Het antwoord moet de volgende strekking hebben:



- Net als Banksy ondernemen de (kleine onopvallende maar) stoere (dappere) ratten illegale en stiekeme acties: ze ‘bekladden’ of ‘vernielen’ de openbare ruimte, maar zijn ook grappig en/of geven op een speelse manier commentaar.

- Verder vormen ratten een plaag en/of zijn het ‘stadsbewoners’ die niemand wil zien. Ze symboliseren bij Banksy het verzet tegen de (kapitalistische) maatschappij, wat
straatkunstenaars soms ook doen.

Slide 20 - Tekstslide