NT2 GRAMMATICA voorzetsels

Voorzetsels
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Voorzetsels

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plaats
voor
op
bij
naar
in
achter
tussen
naast
tegen
onder
Tijd
tot
na
om



Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

meer voorbeelden

De hond springt over de stoel.

Vanavond zit ik in de zetel.

De leerlingen zitten op hun stoel.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel in.

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel in.

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel in.

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel in.

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel in.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel in.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel in.

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Spelletje
Luister naar de leerkracht.
Zij vertelt op welke plaats jullie moeten staan.
Luister goed naar de voorzetsels.

Slide 13 - Tekstslide

Voor het raam
op de stoel
bij de deur
aan het bord
onder de tafel
tussen de bank en de stoel
voor de bank
naast de kast
voor leerling X

Ik fiets op de straat.
voorzetsel =
A
ik
B
fiets
C
op
D
straat

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De jongen stapt in de bus.
A
jongen
B
stapt
C
in
D
bus

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN voorzetsel?
A
in
B
boek
C
achter
D
naar

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN voorzetsel?
A
in
B
vaak
C
achter
D
naar

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel moet in de zin?
De training begint ....... 19.00.
A
in
B
bij
C
op
D
om

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel?
...... november komt de maand december.
A
voor
B
naar
C
na
D
naast

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Spelletje - Lego

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies