Sparen en lenen

Sparen en lenen
Wanneer zul je sparen en wanneer juist lenen?

Kernwoorden:
- algemene prijs van tijd
- individuele prijs van tijd
- nominale rente
- reële rente
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 21 slides, met tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Sparen en lenen
Wanneer zul je sparen en wanneer juist lenen?

Kernwoorden:
- algemene prijs van tijd
- individuele prijs van tijd
- nominale rente
- reële rente

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Algemene prijs van tijd
Als je geld spaart, stel je consumptie uit en krijg je rente. Als je geld leent, vervroeg je consumptie en moet je rente betalen. 

De rente die gezinnen / bedrijven betalen of krijgen is de algemene prijs van tijd.

Slide 3 - Tekstslide

Intertemporele substitutie
Lenen is het vervroegen van consumptie en sparen is het uitstellen van consumptie. 

Dit noemen we intertemporele substitutie, d.w.z. ruilen over de tijd.

Slide 4 - Tekstslide

Nu minder consumptie later meer door gespaard geld + rente

Slide 5 - Tekstslide

Lenen. Nu meer consumptie. Later minder door rente en aflossing

Slide 6 - Tekstslide

Voorbeeld
Stel, je bent aan het sparen voor een scooter. Je hebt echter zin in een hamburgermenu. Dit kost € 5,-. Je betalings-bereidheid is echter hoger, zeg € 6,-. De rente die je op je spaarrekening krijgt is 5%.
Geld niet kunnen sparen kost je: ..................................
Het levert je op: ......................................................................
Neem je dus de hamburger? ..................................................

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld
Stel, je bent aan het sparen voor een scooter. Je hebt echter zin in een hamburgermenu. Dit kost € 5,-. Je betalings-bereidheid is echter hoger, zeg € 6,-. De rente die je op je spaarrekening krijgt is 5%.
Geld niet kunnen sparen kost je: 5% van € 5 = € 0,25 
Het levert je op: CS = € 6 – € 5 = € 1,-
Neem je dus de hamburger? Ja

Slide 8 - Tekstslide

Je vriend staat rood. 
Als hij een hamburger eet, moet hij dus € 5,- lenen; dat kost 10% rente. 
Hij heeft een betalingsbereidheid van € 5,30 voor de hamburger.

Geld lenen voor de hamburger kost hem: ................................
Het levert hem op: ....................................................................
Neemt hij dus de hamburger? ..................................................

Slide 9 - Tekstslide

Je vriend staat rood. 
Als hij een hamburger eet, moet hij dus € 5,- lenen; dat kost 10% rente. 
Hij heeft een betalingsbereidheid van € 5,30 voor de hamburger.

Geld lenen voor de hamburger kost hem: 10% van € 5 = €0,50
Het levert hem op: CS = € 5,30 – € 5 = € 0,30
Neemt hij dus de hamburger? Nee

Slide 10 - Tekstslide

Lenen vs. sparen
Mensen sparen als wat het oplevert meer is dan wat ze ervoor moeten opgeven. M.a.w. als de algemene prijs van tijd ................................ is dan hun individuele prijs van tijd. 
Dat kan voor iedereen verschillend zijn. 
Mensen lenen als hun individuele prijs van tijd ...................... is dan de algemene prijs van tijd.

Slide 11 - Tekstslide

Lenen vs. sparen
Mensen sparen als wat het oplevert meer is dan wat ze ervoor moeten opgeven. M.a.w. als de algemene prijs van tijd groter is dan hun individuele prijs van tijd. 
Dat kan voor iedereen verschillend zijn. 
Mensen lenen als hun individuele prijs van tijd hoger is dan de algemene prijs van tijd.

Slide 12 - Tekstslide

Hoe graag wil je?
Stel rente op lening is 5 %. --> algemene prijs van tijd

Jan wil niet meer dan 2 % rente betalen. Hij wacht wel
Individuele prijs van tijd = 2 %

Petra is bereid 8 % rente te betalen. Dus 5 % vindt zij prima
Indiduele prijs van tijd = 8 %

Slide 13 - Tekstslide

Hoe graag wil je?
Stel rente op lening is 5 %.

Jan wil scooter kopen maar heeft geld niet. Hij kan best wachten. 

Petra wil ook scooter kopen. Ze vindt het moeilijk om te wachten
Zijn prijs van tijd is laag.
Consumptie naar voren halen is hem niet veel waard
Haar prijs van tijd is hoog.
Consumptie naar voren halen is haar veel waard

Slide 14 - Tekstslide

Intertemporele budgetlijn

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Rente
Waarom bestaat rente:
- beloning voor uitgestelde consumptie
- beloning voor het dragen van risico. Hoe hoger het risico hoe hoger de rente zal zijn
- compensatie inflatie

Slide 17 - Tekstslide

Reele rente 
Nominale rente = de rente die je krijgt van bijv de bank.
Nominaal rendement = namelijk de procentuele verandering van je hoeveelheid geld
Reële rente = de procentuele verandering van de koopkracht

Wanneer de rente (nominaal) 1,2% is en de inflatie is 2,5%, wat is dan het gevolg voor de koopkracht. 

Slide 18 - Tekstslide

Zoek het op
Stel je wilt € 10.000 lenen. Zoek uit wat de mogelijkheden zijn. Hoe hoog is de rente? Hoe lang doe je erover om het terug te betalen

Stel je wilt € 10.000 sparen. Hoeveel rente kun je ontvangen bij verschillende spaardeposito's. Hoe lang moet je het vastzetten

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Slide 21 - Video