Rekenquiz: klaar voor je volgende stap!
Rekenquiz: klaar voor je volgende stap!
Wat weet jij al over praktisch rekenen?
Leerdoelen
Aan het eind kun je sneller en slimmer kiezen bij geld, tijd, meten, reizen en korting. Je weet beter hoe je moet schatten en controleren.
Spelregels
Denk eerst na, kies A of B (hand, kaart, staan/zitten). Soms legt iemand uit waarom. Geen telefoon nodig!
A = hand of kaart
B= staan of zitten
Kernzin van vandaag
Eerst denken, dan kiezen, dan controleren.
Ronde 1: Warm worden
Makkelijke vragen om te starten. Geef snel antwoord!
Vraag 1: Geld overhouden
Je hebt €20. Je koopt iets van €7. Hoeveel houd je over? A. €13 B. €17
Vraag 2: Tijd rekenen
Les begint om 09.00 en duurt 60 minuten. Hoe laat is de les klaar? A. 09.60 uur B. 10.00 uur
Vraag 3: Broodjes kopen
Je koopt 3 broodjes van €2. Wat betaal je? A. €5 B. €6
Vraag 4: Lengte vergelijken
Welke is langer? A. 150 cm B. 1 meter
Vraag 5: Doelpunt verschil
Nederland wint met 3-1. Wat is het verschil in doelpunten? A. 2 B. 4
Vraag 6: Snoepjes delen
Je hebt 12 snoepjes, je deelt met 3 personen. Hoeveel krijgt ieder? A. 4 B. 9
Vraag 7: Korting
Wat betekent korting? A. Je betaalt minder. B. Je betaalt meer.
Vraag 8: Goedkoper
Wat is goedkoper? A. €2,50 B. €2,05
Tussenstand & energiemoment
Wie had 5 of meer vragen goed? Welke vraag vond je lastig? Hoe heb je gerekend?
Ronde 2: Praktisch rekenen
Meer denken! Reken mee met situaties uit het dagelijks leven.
Vraag 9: Op tijd bij de bus
Bus vertrekt om 08.15 uur. Je loopt 10 min. Hoe laat weg? A. 08.05 B. 08.25
Vraag 10: Budget verdelen
Je hebt €50. Je geeft €18 aan reizen en €12 aan lunch. Hoeveel blijft? A. €20 B. €30
Vraag 11: Korting op een jas
Jas kost €80. Je krijgt 50% korting. Wat betaal je? A. €40 B. €50
Vraag 12: Koken voor meer
Recept is voor 4. Jij kookt voor 8. Wat doen? A. Verdubbelen B. Delen door 2
Vraag 13: Omrekenen naar meter
Tafel is 120 cm lang. Hoeveel meter is dat? A. 1,2 B. 12
Vraag 14: Punten tellen
Voetbalteam wint 2 keer, 3 punten per winst. Hoeveel punten? A. 5 B. 6
Vraag 15: Werktijd
Je werkt van 09.00 tot 13.00 uur. Hoeveel uur? A. 3 B. 4
Vraag 16: Goedkope fles
1 fles = €2. 2 flessen = €3,50. Wat is goedkoper per fles? A. 1 fles B. 2 flessen
Tussenstand & strategie
Wie had meer dan 5 vragen goed in ronde 2? Wat helpt jou: schatten, uitrekenen of vergelijken?
Ronde 3: Iets moeilijker!
Vragen richting 2F. Lees rustig en reken goed na.
Vraag 17: Korting laptop
Laptop kost €600, 10% korting. Hoeveel korting? A. €60 B. €10
Vraag 18: Op tijd vertrekken
School om 08.30, reis 35 min + 10 min extra. Hoe laat vertrek je? A. 07.45 B. 08.05
Vraag 19: Oppervlakte kamer
Kamer: 4 m lang, 3 m breed. Oppervlakte? A. 7 m² B. 12 m²
Vraag 20: Sparen van je geld
Je hebt €75, spaart 20%. Hoeveel is dat? A. €15 B. €20
Vraag 21: Doelsaldo berekenen
Nederland: 5 doelpunten vóór, 2 tegen. Doelsaldo? A. +3 B. +7
Vraag 22: Netto werktijd
Stage 08.30-16.00, 30 min pauze. Hoeveel werktijd? A. 7 uur B. 7,5 uur
Vraag 23: Korting uitrekenen
Product van €40 nu €30. Hoeveel korting? A. €10 B. €30
Vraag 24: Groepjes maken
Je hebt 18 leerlingen, groepjes van 3. Hoeveel groepjes? A. 6 B. 15
Finalevraag
Je hebt €100. Je koopt schoenen (€65) en een jas (€30). Je wilt €10 sparen. Lukt dat? A. Ja B. Nee
Eindreflectie: strategie
Wat helpt jou het meest? A. Eerst getallen zoeken. B. Meteen rekenen.
Eindreflectie: uitleg
Wat is belangrijk op het MBO? A. Alleen antwoord. B. Ook uitleggen hoe je rekent.
Laatste tip
Op het MBO helpt rekenen je om op tijd te komen, geld te plannen, slim te kiezen en je antwoord te controleren.
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.