fictie & poëzie les 6: kenmerken gedichten

Nederlands
Fictie & poëzie

Les 6: kenmerken gedichten

VWO 3
 P1 2022-2023
1 / 51
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 51 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Nederlands
Fictie & poëzie

Les 6: kenmerken gedichten

VWO 3
 P1 2022-2023

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik
Je kent nu verschillende kenmerken van gedichten:

  • versregels 
  • strofe
  • binnenrijm, eindrijm,  en rijmschema's

Slide 2 - Tekstslide

Vooruitblik
Aan het eind van deze les ...

... herken je verschillende rijmschema's in de gedichten.
... kun je de rijmschema's in deze gedichten benoemen. 
... weet je wat halfrijm en volrijm is.
...weet je wat een enjambement is.
...weet je wat alliteratie is.
...weet je wat assonatie is.




Slide 3 - Tekstslide

Wat is een versregel?


Slide 4 - Open vraag

Aan de slag!
Maak slide 6 t/m 10
  1. Benoem het rijmschema per gedicht.
  2. Noteer de letters voor de versregels



Slide 5 - Tekstslide

Mama, papa, blijf je thuis?
Er lopen dieven door het huis.
Er lopen dieven op de gang.
In het donker ben ik bang.
Door: Joke van Leeuwen

Slide 6 - Open vraag


Het huis waar ik woon, heeft wel erg dunne muren
en we wonen te dicht op een kluit.
Dus een klein beetje herrie geeft ruzie met de buren
en zo'n ruzie maakt ook weer geluid.
Door: Willem Wilmink

Slide 7 - Open vraag


Toen zij een meisje was van zeventien
Moest ze de hele middag erwtjes doppen
Op het balkon, ze wou de teil omschoppen
Ze was heel woest, ze kon geen erwt meer zien
Door: Annie M.G. Schmidt

Slide 8 - Open vraag


Op het hoekje van de hooigracht
En van de Nieuwe Rijn
Daar zwoer hij, dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.
Door: Piet Paaltjens

Slide 9 - Open vraag


Meester Spicht zei tegen ons vandaag maar één ding leren
Ik heb een heel mooi lied gemaakt vanmorgen bij het scheren
Daarin staat hoe blij we moeten zijn en hoe we het waarderen
Ga naar de burgemeester toe en zing ter zijner ere.
Door: Harrie Geelen


Slide 10 - Open vraag

0

Slide 11 - Video

Slide 12 - Tekstslide

gedicht
Versregels: regels van een gedicht
Strofen: de regels staan bij elkaar (alinea)
Refrein: een herhaalde strofe
Coupletten: strofe die één keer voorkomt 



 

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

strofevormen
Distichon is een strofe van twee versregels
Terzet is een strofe van drie versregels
Kwatrijn is een strofe van vier versregels

Slide 15 - Tekstslide




Het afbreken van een zin op een
niet-logische plek noemen we:

ENJAMBEMENT

Slide 16 - Tekstslide

Enjambement
Soms wordt een versregel op een opvallend punt afgebroken: op een
plaats waar in de zin juist geen pauze valt. De zin gaat dan door op de volgende regel. Dit noem je enjambement. 

Ik denk dat er ooit wel tijden
aanbreken waarin we vrienden
kunnen zijn.

Een dichter gebruikt enjambement om: 
• het laatste woord van de versregel – en soms ook het eerste woord
van de nieuwe versregel – meer nadruk te geven; 
• versregels van ongeveer gelijke lengte te schrijven;
• minder nadruk te leggen op eindrijm.

Slide 17 - Tekstslide

Waarom rijmen gedichten tegenwoordig niet?
Er zit vaak wel rijm in een gedicht, maar geen eindrijm.

Slide 18 - Tekstslide


Je hebt iemand nodig
stil en oprecht
Die als het erop aankomt
voor je bidt of voor je vecht
Eindrijm
Eindrijm
Eindrijm

Slide 19 - Tekstslide

HALFRIJM 2 soorten
Klinkers die hetzelfde zijn
(assonantie)

ZIET - RIEM

Slide 20 - Tekstslide

HALFRIJM
Medeklinkers die hetzelfde zijn
(alliteratie)

WILLIE WORTEL

Slide 21 - Tekstslide

Alliteratie / Assonantie
Alliteratie (beginrijm):
Groen - grom - griezel etc.
Assonantie (klinkerrijm):
Moeten - groenten - doe - vroeg - troep - schoen- moeder - groen - groeien

Slide 22 - Tekstslide

sonnet
  • 14 regels: 2 kwatrijnen en 2 terzetten
  • vast rijmschema: abba abba cdc dcd
  • na 2 kwatrijnen wat inhoud betreft een wending bijv. tegenstelling of een conclusie

Slide 23 - Tekstslide

Liefdesgedicht van P.C. Hooft

Gezwinde grijsaard die op wakk’re wieken staag
de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht bij daag;

onachterhaalb’re Tijd, wiens hete honger graag
verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
voor iedereen te snel: hoe valt gij mij zo traag?

Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
met arbeid avondwaards. Uw afzijn valt te bang

en mijn verlangen kan den Tijdgod niet bewegen,
maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam van heeft gekregen,
dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.

P.C. Hooft (1581 – 1647)

Slide 24 - Tekstslide

Bibliofilie

Het oude boek dat jij al zó vaak hebt herlezen!
Geknakt, mismaakt, gebroken in gebruikte staat.
Ziedaar, het heeft ineens een sprankelend gelaat,
Het voelt weer zacht en oogt in fijnheid onvolprezen.

Dit dood gewaande boek, dit duister, treurig wezen,
Herrees – voor ingewijden geenszins wonderbaar:
Zij weten, Binder, magiër en kunstenaar,
Hoezeer je jouw sublieme kunde hebt bewezen.

Je neemt het boek, in al zijn prilheid, weer ter hand,
Alsof een eens beminde op je schoot belandt,
Dankzij een goede fee hermaagd teruggekeerd.

Je leest alsof je weer de stem der Muze hoort,
Voorheen welluidend, door de wrede tijd verweerd:
Wij worden door haar klaarheid andermaal bekoord.


Een ode aan het boek zoals alleen Verlaine dat kon. Mooi vertaald door Martin Hulseboom.

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Aan de slag!
Lees het gedicht op slide 28 en maak daarna de vragen op slide 29 t/m 33

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Leg in ongeveer vier zinnen uit welke kenmerken van gedichten je in het gedicht herkent. Let zowel op de vorm als op de inhoud van het gedicht.

Slide 29 - Open vraag

'In dit gedicht komt geen beeldspraak voor: Leg uit of deze uitspraak juist of niet juist is.

Slide 30 - Open vraag

Vertel in je eigen woorden in ongeveer drie zinnen waar het gedicht over gaat.

Slide 31 - Open vraag

Leg de titel van het gedicht uit.

Slide 32 - Open vraag

a. Verdeel zelf het gedicht op een logische manier in distichons en/of terzetten en/of kwatrijnen.
b. Wat is het effect van zo'n verdeling in strofen?

Slide 33 - Open vraag

Aan de slag!
Lees de gedichten 'Woonplaats' en 'Op school stonden ze...'op slide 35 en 36
Maak daarna de vragen op slide 37 t/m 41

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

a Beargumenteer of het gedicht Woonplaats een sonnet is.
b Beargumenteer of het gedicht Op school stonden ze ... een sonnet is.

Slide 37 - Open vraag

Wijs in Woonplaats een voorbeeld aan van binnenrijm, een voorbeeld van assonantie en een voorbeeld van alliteratie.

Slide 38 - Open vraag

Over welk gevoel gaat het gedicht Woonplaats?

Slide 39 - Open vraag

Waar draait het gedicht Op school stonden ze ... om?

Slide 40 - Open vraag

Bedenk jouw eigen variant op het tweede kwatrijn. Je mag dit weergeven in een kwatrijn met of zonder strak rijmschema of ritme. Je mag jouw variant aanvullen met een zelfbedachte versie van de twee terzetten.

Slide 41 - Open vraag

Opdrachten

Maak nu de opdrachten op de volgende slides: 43 t/m 51

Slide 42 - Tekstslide

Assonantie
Alliteratie
Broederliefde – Nightvision
Laat ze zien wat we zagen
Shit we vertragen
Achter de ramen net als vazen
Rij rij rij, maar mijn glazen zijn beslagen

Broederliefde – Niet meer terug
Armoede was vroeger
toen het zo begon
Roeien met de riemen
toen ik op de bodem stond
Kwam zoek en zag woede en ik overwon
Want je koestert als je moeilijk in die motion komt


Slide 43 - Sleepvraag

0

Slide 44 - Video

Dit is een voorbeeld van een..
A
Overdrijving
B
Herhaling
C
Tegenstelling
D
Opsomming

Slide 45 - Quizvraag

Slide 46 - Tekstslide

Dit is een voorbeeld van een...
A
Understatement
B
Hyperbool
C
Eufemisme
D
Omgekeerde climax

Slide 47 - Quizvraag

Slide 48 - Tekstslide

Dit is een voorbeeld van een
A
Eufemisme
B
Vergelijking
C
Metafoor
D
Hyperbool

Slide 49 - Quizvraag

Slide 50 - Tekstslide

Dit is een voorbeeld van een..
A
Herhaling
B
Hyperbool
C
Opsomming
D
Vergelijking

Slide 51 - Quizvraag