Observatiepunten blaaskatheter
1.
Controleer of de zorgvrager voldoende drinkt → spoelt de blaas en vermindert kans op blaasontsteking.
2. Controleer de urineproductie (± 1500 ml per 24 uur / ± 60 ml per uur). Bij minder: controleer katheter en slang op afknelling of verstopping.
3. Controleer de urine op afwijkingen zoals slierten, vlokken of gruis. Kort na plaatsing kan wat bloed voorkomen (niet alarmerend).
4. Controleer de geur van de urine bij het legen van de opvangzak.
5. Vraag of de zorgvrager blaaskrampen heeft → kan komen door katheter, verstopping of blaasontsteking. Krampen kunnen lekkage langs de katheter veroorzaken.
6. Controleer de lichaamstemperatuur → koorts met andere klachten kan wijzen op een blaasontsteking.