Meewerkend voorwerp

Meewerkend voorwerp   
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo, mavo, havoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Meewerkend voorwerp   

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel
  • Je weet wat een meewerkend voorwerp is.
  • Je kunt het meewerkend voorwerp in een zin vinden.


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp
Zoek eerst het gezegde, het onderwerp en het lijdend voor-werp. Daarna ga je op zoek naar het meewerkend voorwerp.
Gebruik de hulpvraag: Aan/voor wie...?

Bijvoorbeeld
Ze heeft haar moeder een bloem gegeven.
Aan wie heeft ze een bloem gegeven? Haar moeder

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoort het voorzetsel erbij?
De voorzetsels aan of voor  horen bij het meewerkend 
voorwerp als ze al in de zin staan. 

Bijvoorbeeld
Jij hebt je mobieltje aan mij gegeven. 
Jij hebt mij je mobieltje gegeven.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp
In zinnen met een lijdend voorwerp kan ook 
een meewerkend voorwerp staan.


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Is dit een meewerkend voorwerp?
Hij laat al zijn geld na aan goede doelen.
A
Wel een meewerkend voorwerp
B
Geen meewerkend voorwerp

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is dit een meewerkend voorwerp?
'Ik ga 's ochtends met de bus naar school.'
A
Wel een meewerkend voorwerp
B
Geen meewerkend voorwerp

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is dit een meewerkend voorwerp?
'Heb jij een voldoende van de docent gekregen?'
A
Wel een meewerkend voorwerp
B
Geen meewerkend voorwerp

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is dit een meewerkend voorwerp?
'We willen een cadeaubon kopen voor de trainer.'
A
Wel een meewerkend voorwerp
B
Geen meewerkend voorwerp

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meewerkend voorwerp in de zin?

‘Hij heeft Sanne een cadeau gegeven.’

Slide 11 - Open vraag

Gebruik de hulpvraag: Aan/voor wie...?
Wat is het meewerkend voorwerp in de zin?

‘Laura schreef Petra een brief.’

Slide 12 - Open vraag

Gebruik de hulpvraag: Aan/voor wie...?
Wat is het meewerkend voorwerp in de zin?

‘De ober schenkt voor Minja een glaasje cola in.’

Slide 13 - Open vraag

Gebruik de hulpvraag: Aan/voor wie...?
Wat is het meewerkend voorwerp in de zin?

‘Mijn oma schonk haar een diamanten ring.’

Slide 14 - Open vraag

Gebruik de hulpvraag: Aan/voor wie...?
Momentje  nadenken

Slide 15 - Tekstslide

Wat heb je geleerd?
Heb je de regels goed genoteerd?
Welke vragen heb je nog? Die kun je bij de volgende dia invullen.
Welke vragen heb je nog over meewerkend voorwerp?

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstandig aan het werk
Nu ga je aan het werk met de taken Nederlands in Vo-Next

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies