PERFECTUM - deel I

PERFECTUM -

1 / 75
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2Secondary Education

In deze les zitten 75 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

PERFECTUM -

Fietsen : ja

Wat is het voltooid deelwoord van "studeren"

Wat is het voltooid deelwoord van "wonen"

Wat is het voltooid deelwoord van "werken"

Wat is het voltooid deelwoord van "ontmoeten"

Wat is het voltooid deelwoord van "gebeuren"

Wij hebben .................. (leven)

Diederik heeft ..................... op de vraag. (antwoorden)

Katarina heeft een mop ...................... (vertellen)

Jij hebt de e-mail ................... (uitsturen)

Onze premier heeft zich niets .................... (herinneren)

De bakker heeft de ingrediënten goed ................. (mixen)

Els heeft het werk ...................... (afmaken)

Skiën heeft hij nooit ................... (durven)

De cursisten hebben de grammatica goed ...................... (oefenen)

Daan heeft een email ...................... (sturen)

We hebben de hele nacht .................... op het feest van Lot. (dansen)

Wie heeft de burgemeester .....................? (ontmoeten)



Het perfectum onregelmatig

denken      -         ik heb gedacht

hebben      -         ik heb gehad

beginnen   -        ik ben begonnen

kiezen         -        ik heb gekozen

begrijpen   -        ik heb begrepen

kopen         -        ik heb gekocht

vergelijken -       ik heb vergeleken

gaan            -       ik ben gegaan

fluiten         -       ik heb gefloten



Vervolg perfectum onregelmatig

blijven        - ik ben gebleven

helpen       - ik heb geholpen

lachen       - ik heb gelachen

lopen         - ik heb gelopen

staan         - ik heb gestaan

rijden        - ik heb gereden

zingen       - heb gezongen

slapen       - ik heb geslapen

nemen       - ik heb genomen

Ben je nog lang op het feest .................? (blijven)

Wij hebben lekker ..................... op de boot. (slapen)

Mijn schoonzoon heeft de marathon ..................... (lopen)

Jij hebt de opdracht niet goed ...................... (begrijpen)

Mijn vriendin heeft lekkere broodjes ................. (kopen)

Het dameskoor heeft erg vals ................... (zingen)

Diana en Marian hebben uren in de rij .................. voor kaartjes. (staan)

De oma van Paul heeft mij ................ (helpen)

De mensen hebben een nieuwe regering ...................... (kiezen)

Zij hebben de broodjes in de oven ..................... (afbakken)

Hebben jullie de prijzen goed ......................... (vergelijken)?

20 onregelmatige werkwoorden


NOG 10 nieuwe ONREGELMATIGE WERKWOORDEN


  1. kopen - gekocht

  2.  krijgen - gekregen

  3. lezen - gelezen

  4. liggen - gelegen

  5. lopen - gelopen


6. meegaan - meegegaan

7. moeten - gemoeten

8. mogen - gemogen

9. nakijken - nagekeken

10. nemen - genomen

Herhaling

We hernemen wat we geleerd hebben over de VTT

Wij hebben .................. (leven)

Diederik heeft ..................... op de vraag. (antwoorden)

Katarina heeft een mop ...................... (vertellen)

Jij hebt de e-mail ................... (uitsturen)

Onze premier heeft zich niets .................... (herinneren)

De bakker heeft de ingrediënten goed ................. (mixen)

Els heeft het werk ...................... (afmaken)

Skiën heeft hij nooit ................... (durven)

De cursisten hebben de grammatica goed ...................... (oefenen)

Daan heeft een email ...................... (sturen)

We hebben de hele nacht .................... op het feest van Lot. (dansen)

Wie heeft de burgemeester .....................? (ontmoeten)

Ben je nog lang op het feest .................? (blijven)

Wij hebben lekker ..................... op de boot. (slapen)

Mijn schoonzoon heeft de marathon ..................... (lopen)

Jij hebt de opdracht niet goed ...................... (begrijpen)

Mijn vriendin heeft lekkere broodjes ................. (kopen)

Het dameskoor heeft erg vals ................... (zingen)

Diana en Marian hebben uren in de rij .................. voor kaartjes. (staan)

De oma van Paul heeft mij ................ (helpen)

De mensen hebben een nieuwe regering ...................... (kiezen)

Zij hebben de broodjes in de oven ..................... (afbakken)

Hebben jullie de prijzen goed ......................... (vergelijken)?