T3: Prefixes and Suffixes Quiz

Prefixes and Suffixes

(Voorvoegsels en Achtervoegsels)
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Prefixes and Suffixes

(Voorvoegsels en Achtervoegsels)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Today's goal

At the end of this  lesson I can correctly form and use prefixes and suffixes


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prefixes + Suffixes
They both change the meaning of the word.

Prefixes are letters you can place before a base(root) word. 

Suffixes are letters that go at the end of a base(root) word. 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prefixes and suffixes

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Part 1: Prefixes / Voorvoegsels
Komen voor het woord

Veranderen de betekenis van het woord

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

These prefixes all mean 'not' (niet) or
 'the opposite' (tegenovergestelde)
non-             sense -> nonsense
un-              used -> unused
im-               possible -> impossible
il-                  legal -> illegal
in-                compatible -> incompatible
ir-                 responsible -> irresponsible
dis-             appear -> disappear

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Do you remember?

re- means?
mis- means?

Slide 8 - Tekstslide

re- means again/back
mis- means wrong/not
Re- means 'again' or 'back'
act -> react
play -> replay
turn -> return
visit -> revisit

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

mis- means 'wrong' or 'not'
place -> misplace
understand -> misunderstand
use -> misuse
behave -> misbehave

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies





                                                                                                              7 questions

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


1. What does re- mean?
timer
0:30

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


2. What does mis- mean?
timer
0:30

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

3. Wat komt er voor "sense"
A
Non
B
Un
C
Ir
D
Dis

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

4. Wat komt er voor "possible"
A
Non
B
Dis
C
Im
D
Ir

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

5. Wat komt er voor "appear"
A
Un
B
Dis
C
Non
D
Ir

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

6. Wat komt er voor "play"
A
Mis
B
Re
C
Un
D
Ir

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

7. Complete the sentence with the correct prefix.

I don't trust that boy anymore. He was ...honest about his age.
A
re
B
dis
C
mis
D
im

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

How did it go?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 20 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Part 2: Suffixes / Achtervoegsels
Komen achter het woord

Veranderen de betekenis van het woord
Examples: -er, -ing, -ment, -ness

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Suffixes / Achtervoegsels
Met -er: degene die de actie doet: Teach(er)
Werkwoord naar zelfstandig naamwoord: Pay(ment) / Paint(ing)
Bijwoord of bijvoeglijk naamwoord naar zelfstandig naamwoord: Kind(ness)

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Suffixes
To talk about 
 add -er to talk about 'the person that does the action',
teach -> teacher
rap -> rapper

add - ment/-ing to talk about 'action or process of...'
pay -> pay(ment) / paint(ing)

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

It's the tail of an elephant!

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies





                                                                                                            13 questions

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Wat komt er achter "sad"
A
er
B
ing
C
ment
D
ness

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2. Wat komt er achter "punish"
A
ment
B
ness
C
er
D
ing

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

3. Wat komt er achter "end"
A
ment
B
ness
C
ing
D
er

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

4. disbelief
dis =
A
unpolite
B
rude
C
tasty
D
not

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

5. Choose the suffix that changes the verb 'develop' into a person that does the action.
A
-ment
B
-ness
C
-er

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

6. Choose the suffix that changes the verb 'buy' into a person that does the action.
A
-ing
B
-ment
C
-er

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

7. post apocalyptic
post =
A
after
B
before
C
during
D
writing

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

How did it go?
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 33 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Well done!

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Word formation

In a sentence or text you have to change the form of a word, e.g. from a noun to an adjective, or from a verb to a noun. For example:     The _____ was very nervous. (sing)
You have to complete the sentence with the person noun (singer). You change the verb (sing) into the person noun (singer).

  • Nouns often end: -ment, -ion, -ness, -ity.
  • People nouns often end: -er, -or, -ist, -ian.
  • Adjectives often end: -able, -ible, -ive, -al, -ic, -ed, -ing.
  • Some verbs end: -ise, -ate, -en.
  • Adverbs often end: -ly.

Is the new word negative? If so, you may need a prefix, e.g. un- (unhappy), im- (impolite), in- (inexperienced), dis- (dishonest), etc.
If you don’t know the new word, guess. You may be right!
Check your answers carefully when you finish.



Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies