1.8 Grammatica woordsoorten les 4

1.8 Grammatica woordsoorten les 4
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

1.8 Grammatica woordsoorten les 4

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen:
Aan het eind van de les herken je de volgende woordsoorten in een zin en je kunt deze benoemen:

  • lidwoord (lw)
  • zelfstandig naamwoord (znw)
  • bijvoeglijk naamwoord (bnw)
  • voorzetsel (vz)
  • voegwoord (vw)

  • zelfstandig werkwoord (zww)
  • hulpwerkwoord (hww)
  • koppelwerkwoord (kww)

  • persoonlijk voornaamwoord (pers vnw)
  • bezittelijk voornaamwoord (bez vnw)
  • aanwijzend voornaamwoord (av)
  • vragend voornaamwoord (vrv)




Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • Stillezen (nieuw boek meenemen)
  • Huiswerkcontrole opdracht 8 tot en met 11 (online)
  • Theorie de tijden van een werkwoord
  • Werken aan huiswerk: opdracht 12 tot en met 19

Slide 3 - Tekstslide

Start les. 
Stillezen in boek of tijdschrift
timer
10:00

Slide 4 - Tekstslide

Huiswerk van vandaag
Huiswerkcontrole 1.8 opdracht 8 tot en met 11 (online)

Nieuw boek meenemen voor tweede boekopdracht

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Tijden van werkwoorden
o.t.t= hij fietst
v.t.t.=hij heeft gefietst
o.v.t.=hij fietste
v.v.t.=hij had gefietst.

Slide 8 - Tekstslide

Ik ben naar huis gelopen
A
o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd)
B
v.t.t (voltooid tegenwoordige tijd)
C
o.v.t (onvoltooid verleden tijd)
D
v.v.t (voltooid verleden tijd)

Slide 9 - Quizvraag

Het stormde
A
o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd)
B
v.t.t (voltooid tegenwoordige tijd)
C
o.v.t (onvoltooid verleden tijd)
D
v.v.t (voltooid verleden tijd)

Slide 10 - Quizvraag

Zij heeft jaren in de Primark gewerkt
A
o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd
B
v.t.t (voltooid tegenwoordige tijd)
C
o.v.t (onvoltooid verleden tijd)
D
v.v.t (voltooid verleden tijd)

Slide 11 - Quizvraag

Had je liever iets anders gedaan?
A
o.t.t. (onvoltooid tegenwoordige tijd
B
v.t.t (voltooid tegenwoordige tijd)
C
o.v.t (onvoltooid verleden tijd)
D
v.v.t (voltooid verleden tijd)

Slide 12 - Quizvraag

Tijden van werkwoorden
o.t.t= hij fietst
v.t.t.=hij heeft gefietst
o.v.t.=hij fietste
v.v.t.=hij had gefietst.

Tijden van het werkwoord
o.t.t.t.= hij zal fietsen
v.t.t.t.=hij zal gefietst hebben
o.v.t.t.=hij zou fietsen
v.v.t.t.=hij zou gefietst hebben

Slide 13 - Tekstslide

Plan van aanpak 
1. Zoek de persoonsvorm. Staat dit in tt of vt.?
2. Staat er een volt.dw. in de zin met hww. zijn of hebben?  
3. Ja? Dan voltooide tijd.
4. Staat het werkwoord zullen in de zin?
5.Ja? Tegenwoordig toekomende tijd.
6. Staat het werkwoord zouden in de zin?
7. Ja? Verleden toekomende tijd.

Slide 14 - Tekstslide

Wij zullen naar huis gaan.
A
o.t.t.t. (onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd)
B
v.t.t.t. (voltooid tegenwoordige toekomende tijd)
C
o.v.t.t. (onvoltooid verleden toekomende tijd)
D
v.v.t.t. (voltooid verleden toekomende tijd)

Slide 15 - Quizvraag

Wij zouden naar huis gegaan zijn.
A
o.t.t.t. (onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd)
B
v.t.t.t. (voltooid tegenwoordige toekomende tijd)
C
o.v.t.t. (onvoltooid verleden toekomende tijd)
D
v.v.t.t. (voltooid verleden toekomende tijd)

Slide 16 - Quizvraag

Huiswerk

H1.8 opdracht 12, 13 en 15
nieuw leesboek zoeken  voor tweede boekopdracht!

Slide 17 - Tekstslide