Opdrachten basisstof 1: Organismen en hun omgeving

Opdrachten basisstof 1: Organismen en hun omgeving
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Opdrachten basisstof 1: Organismen en hun omgeving

Slide 1 - Tekstslide

Het milieu heeft invloed op een organismen         OPDRACHT 1
a. Wat is een ander woord voor milieu?
b. Wat bestudeert de ecologie?
c. Algen zijn in een rivier abiotische / biotische factor
d. Zuurstof is voor vissen een abiotische / biotische factor

Vul het schema in. Gebruik daarbij: bodem – licht – roofdieren – soortgenoten – temperatuur – voedsel – water – wind – ziekteverwekkers – zuurstof.

Slide 2 - Tekstslide

a. Waaruit bestaat een biotoop?             OPDRACHT 2
b. Behoort een wolf tot een: 
• een ecosysteem? ja / nee
• een biotoop? ja / nee
• een levensgemeenschap? ja / nee
c. Combineer elk niveau van de ecologie met de juiste omschrijving





Zet de niveaus van de ecologie in de juiste volgorde van klein naar groot. Biosfeer -> Ecosysteem -> individu -> Levensgemeenschap
-> populatie

Slide 3 - Tekstslide

Opdracht 3
a. Wat is het verschil tussen een voedselweb en een voedselketen?
b. Waarmee begint een voedselketen?
c. In het voedselweb in afbeelding 5 kun je verschillende voedselketens onderscheiden. De kortste voedselketen bestaat uit drie schakels, de langste uit zeven schakels. Noteer twee voedselketens die uit drie schakels bestaan.
d. Noteer de voedselketen van afbeelding 5 die uit zeven schakels bestaat.
e. Welk dier in afbeelding 5 is een alleseter? Leg je antwoord uit.

Slide 4 - Tekstslide

Opdracht 4
a. Wat is biomassa?
b. Noteer drie groepen energierijke stoffen.
c. Een voedselketen in de veeteelt bestaat uit drie schakels: gras → koe → mens.
De grootste hoeveelheid energierijke stoffen vind je in de schakel gras → koe → mens.
De kleinste hoeveelheid energierijke stoffen vind je in de schakel gras → koe → mens.

Slide 5 - Tekstslide

Opdracht 5
Samenvatting
Biotische en abiotische factoren
Biotische factoren:

Abiotische factoren:

Voorbeelden van abiotische factoren:

Niveaus van de ecologie
• Organisme:
• Biosfeer:




MENU
LESSTOF

Voedselrelaties
Voedselketen:

Eerste schakel in een voedselketen:

Voedselweb:

Accumulatie:

Slide 6 - Tekstslide

Na een regenbui zie je vaak regenwormen uit de grond kruipen. Het milieu (de regen) heeft invloed op de regenworm.
a. Regenwormen kruipen uit de grond als gevolg van een verandering in een abiotische / biotische factor.

Een regenworm heeft ook invloed op het milieu.
b. Geef hiervan een voorbeeld.

Sommige ecologen vermoeden dat regenwormen door de trillingen van de regendruppels denken dat er een mol aankomt. Mollen zijn natuurlijke vijanden van regenwormen.
c. Als de theorie van de ecologen klopt, is het vluchten van de regenwormen dan een gevolg van een verandering in een abiotische factor, in een biotische factor of in beide? Leg je antwoord uit.
Tekst
Opdracht 6

Slide 7 - Tekstslide

In het Texelse duingebied komt een aantal meertjes voor (zie afbeelding 9). Hierin leven onder andere algen, stekelbaarsjes, waterkevers, waterplanten en watervlooien.

• Maken de organismen in één meertje deel uit van dezelfde populatie? ja /nee
• Maken de organismen in één meertje deel uit van dezelfde levensgemeenschap? ja / nee 
• Is één zo’n meertje een ecosysteem? ja / nee
• Is het Texelse duingebied een ecosysteem? ja / nee
Opdracht 7

Slide 8 - Tekstslide

en weiland levert ongeveer 10 000 kg gras per jaar op.                    OPDRACHT 8
a. Kunnen koeien samen per jaar 10 000 kg zwaarder worden, als ze alleen van het gras van dit weiland leven? Leg je antwoord uit.

In arme landen moeten mensen vaak leven van een klein stukje vruchtbare grond.
b. Hoe kunnen ze het meeste voedsel van hun stukje grond krijgen?
A: Door er gewassen op te bouwen 
B: Door er vee op te laten grazen 
C: Door er gewassen op te bouwen en er vee op te laten grazen 

Volgens een rapport van de Verenigde Naties waren er in 2017 wereldwijd 821 miljoen mensen die te weinig te eten hebben.
c. Sommige mensen stellen dat er geen honger hoeft te zijn als iedereen vegetariër zou worden. Leg dat uit.

Slide 9 - Tekstslide


In de jaren tachtig van de vorige eeuw stierven veel zeevogels. Ook dreigden
de zeehonden in de Waddenzee uit te sterven. Doodsoorzaak was een zeer hoog gehalte aan diverse giftige stoffen in het lichaam, zoals pcb’s (stoffen uit plastics en elektronische apparatuur), DDT en kwik.
b. Leg uit waarom juist zeevogels en zeehonden stierven als gevolg van deze gifstoffen.
In afbeelding 10 zie je een voedselketen in zee. Van elke schakel is de biomassa aangegeven. Bij een onderzoek naar de hoeveelheid DDT (een landbouwgif) is gebleken dat in de schakel van het zoöplankton per 1000 kg zoöplankton 40 mg DDT voorkomt.
• Noteer bij elke schakel in kolom 3 van de tabel hoeveel milligram DDT er in totaal in die schakel voorkomt.
• Bereken voor elke schakel de concentratie DDT per kilogram biomassa. Noteer dit in kolom 4.

Slide 10 - Tekstslide