2K Herhaling Hoofdstuk 2 en 3

Herhaling Hoofdstuk 2 en 3
Oefenen voor de toets
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Herhaling Hoofdstuk 2 en 3
Oefenen voor de toets

Slide 1 - Tekstslide

Als je een eigen bedrijf hebt dan is de ....... je inkomen
A
Pensioen
B
Loon
C
Uitkering
D
Winst

Slide 2 - Quizvraag

Slide 3 - Tekstslide

Als je werkt dan ontvang je...
A
een uitkering
B
salaris / loon
C
een pensioen
D
winst

Slide 4 - Quizvraag

Uitgaven die je af en toe doet.
A
Vaste lasten
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Incidentele uitgaven

Slide 5 - Quizvraag

Uitgaven die je elke dag doet. Bijvoorbeeld voor boodschappen en persoonlijke verzorging.
A
Vaste lasten
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Incidentele uitgaven

Slide 6 - Quizvraag

Van week naar maand
Je ontvangt 6 euro per week. Hoeveel is dat per maand?

Schrijf de berekening op. De uitkomst hoef je niet op te schrijven. 

Slide 7 - Tekstslide

Sparen
Schrijf de 3 spaarmotieven (redenen om te sparen) op. 


Slide 8 - Tekstslide

Een begroting maken
Maak een begroting.
Inkomsten: zakgeld 25, kleedgeld 7, baantje 50 
Uitgaven: Eten & drinken 30, Spotify 12, persoonlijke verzorging en kleding 28.

a) Zet de inkomsten links onder elkaar, en de uitgaven rechts onder elkaar. 
b) Geef aan of je een overschot of een tekort hebt. 
c) Kan je sparen?  

Slide 9 - Tekstslide

Van maand naar week
Je krijgt 780 euro per maand. Hoeveel is dat per week?

Schrijf de berekening op. 
De uitkomst hoef je niet op te schrijven. 

Slide 10 - Tekstslide

Functies van geld
Schrijf de 3 functies van geld op. 

Slide 11 - Tekstslide

Rente 
Je hebt 800 euro op je spaarrekening staan. Hierover krijg je 3% rente. 

Hoeveel staat er aan het einde van het jaar op je rekening?  

Slide 12 - Tekstslide

Als je een lening neemt bij de bank dan betaal je de bank elke maand een vast bedrag terug. Dit bedrag bestaat uit 2 delen. Welke 2 delen zijn dat?
A
Huur en verblijf
B
Aflossing en rente
C
Kost en inwoning

Slide 13 - Quizvraag

Als je een auto hebt, dan moet je die verplicht verzekeren. Hoe heet deze verplichte verzekering?
A
Autozorgverzekering
B
Zorgverzekering
C
WA-verzekering
D
Reisverzekering

Slide 14 - Quizvraag

Je bent verzekerd, maar een deel van de kosten moet je zelf dragen.
Bijvoorbeeld: je hebt schade van 1000 euro door brand. Maar je hebt met de verzekering afgesproken dat je de eerste 300 euro zelf betaald. Je ontvangt dus maar 700 euro van de verzekeraar.

Hoe noem je de 300 euro?
A
Pech, swa
B
Eigen belang
C
Eigen draagkracht
D
Eigen risico

Slide 15 - Quizvraag

Hoe noem je de periode bij een nieuwe werkgever waarin je kunt zeggen dat je de baan toch niet wilt, en dat je niet meer komt? 

Slide 16 - Tekstslide

Een CAO is een afspraak tussen werkgevers en werknemers die geldt voor iedereen in de branche.

Wat is het voordeel hiervan voor de werkgever?
A
De werkgever hoeft minder te betalen
B
De werknemer heeft minder vakantiedagen
C
De werkgever hoeft niet met elke werknemer aparte afspraken te maken

Slide 17 - Quizvraag

Formule nettoloon
Schrijf de formule op waarmee je het nettoloon kunt berekenen. 
Noem hierin de inhoudingen, het nettoloon en het brutoloon. 

Slide 18 - Tekstslide

Productiesectoren
Hoe heet de productiesector waar de veeteelt, landbouw, visserij onder vallen?

Slide 19 - Tekstslide

Productiesectoren
Hoe heet de productiesector waar Jumbo supermarkt, de kapper, de taxi, en een sportschool onder vallen?

Slide 20 - Tekstslide

Hoe noem je het dat iedereen in een bedrijf (en ook thuis) een eigen taak heeft?
A
Eigen belang
B
Arbeidsverdeling
C
Huishouding

Slide 21 - Quizvraag

Hoe heet de wet waarin de regels staan voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden?

Deze wet zorgt ervoor dat iedereen in Nederland veilig en gezond kan werken.
A
Arbeidstijdenwet
B
Grondwet
C
Arbowet
D
Arbosius

Slide 22 - Quizvraag

De Nike schoenen kosten normaal 429 euro. Omdat ze uit de mode aan 't raken zijn gaan ze in de uitverkoop met een korting van 30%. Wat betaal je nu voor een paar van deze Nike schoenen? 

Berekening en uitkomst opschrijven.

Slide 23 - Tekstslide