HA2A: herhaling woordsoorten H1-5

HA2A herhaling woordsoorten
persoonlijk vnw
bez. vnw
zww
hww
kww
telwoord
voegwoord
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

HA2A herhaling woordsoorten
persoonlijk vnw
bez. vnw
zww
hww
kww
telwoord
voegwoord

Slide 1 - Tekstslide


Benoem het onderstreepte woord:

Haar tante is morgen jarig.
A
pers. vnw
B
bez. vnw

Slide 2 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Die sjaal is van haar.
A
pers. vnw
B
bez. vnw

Slide 3 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Hij gaat morgen mee naar de wedstrijd
A
pers. vnw
B
bez. vnw

Slide 4 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Morgen schijnt de zon de hele dag.
A
zww
B
hww
C
kww

Slide 5 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Heeft de politie van alle gasten vingerafdrukken genomen?
A
zww
B
hww
C
kww

Slide 6 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Een volwassen ijsbeer kan wel 800 kilogram wegen.
A
zww
B
hww
C
kww

Slide 7 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Het glasblazen is ooit uitgevonden door de Syriërs. 
A
zww
B
hww
C
kww

Slide 8 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Zou Lowlands echt populairder worden dan Pinkpop?
A
zww
B
hww
C
kww

Slide 9 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Veel talen worden met uitsterven bedreigd.
A
zww
B
hww
C
kww

Slide 10 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

In perfecte staat kan glas sterker zijn dan staal.
A
zww
B
hww
C
kww

Slide 11 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Er was slechts één bezoeker bij het concert.
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 12 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Dit is de eerste keer dat hij een tien haalt op Engels.
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 13 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Als hoeveelste ben je geëindigd bij the Voice?
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 14 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Er zijn achtduizend voedselpakketten uitgedeeld.
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 15 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Enkele bezoekers waren hun kaartje vergeten.
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 16 - Quizvraag


Benoem het onderstreepte woord:

Ik was vandaag als eerste online.
A
bepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald hoofdtelwoord
C
bepaald rangtelwoord
D
onbepaald rangtelwoord

Slide 17 - Quizvraag


Tijdens de les viel hij bijna in slaap.

Slide 18 - Open vraag

Noteer alle voorzetsels die je kunt bedenken.

Slide 19 - Open vraag

De lidwoorden zijn: de, het en een.
Welke lidwoorden zijn bepaald en welke zijn onbepaald?

Slide 20 - Open vraag

Noem de nevenschikkende voegwoorden (die plakken twee hoofdzinnen aan elkaar).

Slide 21 - Open vraag

Voegwoorden zijn in twee soorten te verdelen:


Een voorbeeld in het Nederlands dat het verschil laat zien is:

Nevenschikkend: Ik ga met de fiets, want het is mooi weer.
Onderschikkend: Ik ga met de fiets, omdat het mooi weer is.


Slide 22 - Tekstslide

Plaats in de zin
Een nevenschikkend voegwoord staat altijd in het midden van een samengestelde zin.
"Ik ga naar huis en jij gaat mee.'

Een onderschikkend voegwoord kan ook aan het begin van een zin staan:
Omdat het regent, ga ik naar huis.

Slide 23 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord
(=herhaling vorig jaar)

Vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat , welke (welk) en wat voor (een). Ze staan heel vaak aan het begin van een vraagzin.

Slide 24 - Tekstslide

Bijwoord (herhaling)
Een bijwoord is een woord dat meer informatie geeft over het woord waar het bij hoort, vandaar de naam bijwoord.
Bijwoorden zeggen bijna altijd iets over een ander werkwoord, een ander bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een plaats of tijd.

Erg, goed, heel, ontzettend, nogal

Slide 25 - Tekstslide

Bijwoord
De jonge schaatser is erg goed.

Hij schaatst ontzettend hard.

Ik kom altijd te laat.

Hij eet nooit zijn bord leeg.


Slide 26 - Tekstslide

Hoe vond je dat het ging met de oefeningen die je net hebt gedaan?
😒🙁😐🙂😃

Slide 27 - Poll

Wat vind je het lastigst?
persoonlijk vnw
bez. vnw
zww
hww
kww
telwoorden
voegwoorden
voorzetsels

Slide 28 - Poll

Heb je de opdrachten uit het boek gemaakt van persoonlijk vnw t/m telwoorden?
ja, alles af en ik snap het
ja, maar ik vind sommige dingen nog lastig
nee, maar ik ben al wel een heel eind
nee, nog lang niet.

Slide 29 - Poll

Als ik de toets ga maken dan...
haal ik met gemak een voldoende
dan haal ik misschien een voldoende
dan haal ik een onvoldoende

Slide 30 - Poll

Wat kun je:
Als het goed is kun je nu in een zin benoemen wat het pers. vnw, bez.vnw, zww, hww, kww, voegwoord en het telwoord is.



Zorg dat je bij bent met de opdrachten!
 En oefen op Cambiumned als dat nodig is.

Slide 31 - Tekstslide