H2 Woordenschat

Hoofdstuk 2
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 2

Slide 1 - Tekstslide

15 min lezen 
Zelfstandig Stil
timer
10:00

Slide 2 - Tekstslide

Programma
- 5 min: RTS
- 15 min: Lezen ZS
5 min: doelen bespreken + ophalen voorkennis
5 min: herhalen theorie + lezen nieuwe theorie
5 min: filmpje nieuwe theorie bekijken
10 min: check up vragen via Lesson Up
10 min: maken opdrachten boek
5 min: reflecteren, doelen-check, RTL 

Slide 3 - Tekstslide

Doelen
Lesdoelen
- Je kunt in eigen woorden uitleggen wat beeldspraak is.
- Je kunt het verschil tussen een metafoor, vergelijking, personificatie en metonymie beschrijven.
- Je kunt een voorbeeld benoemen van een metafoor, vergelijking, personificatie en een metonymie.

Taaldoelen
- Je kunt jouw antwoorden formuleren in goedlopende hele zinnen.
- Al jouw zinnen beginnen met een hoofdletter en eindigen met een leesteken.

Slide 4 - Tekstslide

Huiswerk
- Hoofdstuk 2 woordenschat afmaken 
- Woordenlijst aanvullen.
- Vragen aan de docent over de stof voorbereiden
- Woordenlijsten uiterlijk 28-10-2020 inleveren!!

Slide 5 - Tekstslide

Geef een voorbeeld van beeldspraak. Geef daarbij aan om welke soort beeldspraak het gaat
vergelijking 
1
metafoor
2
personificatie 
3
Metonymia
4

Slide 6 - Woordweb

Beeldspraak: vergelijking, metafoor, personificatie en metonymie
Beeldspraak = beeld + spraak = spreken in beelden

- Bij beeldspraak gebruik je woorden in een
   figuurlijke betekenis.

- Goede beeldspraak maakt een tekst interessanter, mooier,
   duidelijker en krachtiger.

Slide 7 - Tekstslide

Wat heb je al gehad?
Vergelijking, metafoor en personificatie.

Slide 8 - Tekstslide

Vergelijking
Een vergelijking herken je aan de woorden 'als' en 'net'.    
Hij is zo rood als een kreeft. Ze is net (als) een nachtegaal.    

Ook bij de woorden 'van een' kun je denken aan een vergelijking: hij is een beer van een vent. 

Slide 9 - Tekstslide

Metafoor:
Bij een metafoor zijn de woorden 'als' of 'van een' weggelaten. Wél worden er twee dingen vergeleken: 

"Het is hier een zwijnenstal!" roept moeder, als ze Tommy's kamer ziet.

Slide 10 - Tekstslide

Personificatie (vorm van metafoor)
Aan levenloze zaken (dingen) wordt een menselijke eigenschap toegekend: 
de oude auto kwam hoestend en proestend op gang.

Slide 11 - Tekstslide

Nieuw: metonymie
(Je kent het ook als metoniem of metonymia!) 

Individueel lezen theorie blz. 64
timer
2:30

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Bij een metonymia worden twee dingen met elkaar vergeleken, die niet op elkaar lijken.
Er zijn 8 veel voorkomende metonymieën:

Slide 14 - Tekstslide

1. Je bedoelt het voorwerp, maar noemt het materiaal: 
"Het vriest flink, dus ik heb mijn ijzers alvast maar tevoorschijn gehaald."

Slide 15 - Tekstslide

2. Je bedoelt de inhoud, maar noemt het voorwerp: 
"Zullen we een blikje kopen?"

Slide 16 - Tekstslide

3. Je bedoelt het voorwerp, maar noemt de maker: 
"Ik heb thuis een originele Van Gogh aan de muur hangen."

Slide 17 - Tekstslide

4. Je bedoelt het geheel, maar noemt het deel: 
"Die snor deelt de ene na de andere bekeuring uit!"

Slide 18 - Tekstslide

5. Je bedoelt het deel, maar noemt het geheel: 
"Nederland heeft gelukkig van Duitsland gewonnen!"

Slide 19 - Tekstslide

6. Je bedoelt het meervoud, maar noemt het enkelvoud: 
"De vrouw gebruikt vaker make-up dan de man."

Slide 20 - Tekstslide

7. Je bedoelt het bezit, maar noemt de bezitter: 
"De buren hebben lekkage." (Je bedoelt dat het huis van de buren lekt.)

Slide 21 - Tekstslide

8. Je bedoelt een groep, maar noemt de leider: "Hitler rukte op naar de Russische grens."

Slide 22 - Tekstslide

'Je brief glimlachte me toe'
Dit is een:
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personificatie
D
Metonymie

Slide 23 - Quizvraag

De laatste loodjes wegen het zwaarst.

Dit is een:
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personificatie
D
Metonymie

Slide 24 - Quizvraag

De hockeydames wonnen goud op de Spelen.
Dit is een...
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personificatie
D
Metonymie

Slide 25 - Quizvraag

Deze les is net zo leuk als een bezoek aan de Efteling.
Dit is een:
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personificatie
D
Metonymie

Slide 26 - Quizvraag

Na regen komt zonneschijn.

Dit is een
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personicatie
D
Metonymie

Slide 27 - Quizvraag

Het leven is als een doos bonbons.

Dit is een
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personificatie
D
Metonymie

Slide 28 - Quizvraag

Wij hebben een Herman Brood boven de bank hangen.
Dit is een:
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personificatie
D
Metonymie

Slide 29 - Quizvraag

Bij een metafoor is altijd sprake van een beeld en een object. Juist of onjuist?
A
Juist
B
Onjuist

Slide 30 - Quizvraag

Moskou reageert fel op de kritieken.

Dit is een:
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personicatie
D
Metonymie

Slide 31 - Quizvraag

De toekomst lacht ons toe.

Dit is een:
A
Vergelijking
B
Metafoor
C
Personicatie
D
Metonymie

Slide 32 - Quizvraag

'Die Rembrandt vind ik mooier dan die Van Gogh.' Welke vorm van beeldspraak is dit?
A
vergelijking
B
metonymie
C
metafoor
D
personificatie

Slide 33 - Quizvraag

'De wind huilt door de bomen.' Welke vorm van beeldspraak is dit?
A
metafoor
B
personificatie
C
metonymie
D
vergelijking

Slide 34 - Quizvraag

Welk onderdeel of onderwerp van deze les vond je het lastigst?

Slide 35 - Open vraag

Slide 36 - Link

Maak nu individueel:
1 t/m 7 Woordenschat, hoofdstuk 2
Klaar? Woordenlijst aanvullen!

Slide 37 - Tekstslide

Doelen
Lesdoelen
- Je kunt in eigen woorden uitleggen wat beeldspraak is.
- Je kunt het verschil tussen een metafoor, vergelijking, personificatie en metonymie beschrijven.
- Je kunt een voorbeeld benoemen van een metafoor, vergelijking, personificatie en een metonymie.

Taaldoelen
- Je kunt jouw antwoorden formuleren in goedlopende hele zinnen.
- Al jouw zinnen beginnen met een hoofdletter en eindigen met een leesteken.

Slide 38 - Tekstslide

Wat heb jij vandaag goed gedaan?

Slide 39 - Open vraag

Wat ga je een volgende les beter doen?

Slide 40 - Open vraag

Noem 1 top en 1 tip over de docent

Slide 41 - Open vraag