4V BS H1 t/m H4 opfrisser

Toetsstof
  1. Invullen financiële overzichten (balans, liq.begroting, exploitatiebegroting (8 punten)
  2. Balansmutaties (9 punten)           
  3. Lening: interest en aflossing (8 punten)
  4. Afschrijvingskosten en boekwaarde (8 punten)

Totaal 33 punten: misschien dat opgave 2 nog meer punten krijgt
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Toetsstof
  1. Invullen financiële overzichten (balans, liq.begroting, exploitatiebegroting (8 punten)
  2. Balansmutaties (9 punten)           
  3. Lening: interest en aflossing (8 punten)
  4. Afschrijvingskosten en boekwaarde (8 punten)

Totaal 33 punten: misschien dat opgave 2 nog meer punten krijgt

Slide 1 - Tekstslide

Rente: kosten en/of uitgaven?
A
Kosten
B
Uitgaven
C
Beide

Slide 2 - Quizvraag

Een 7,5% lening van € 40.000,- heeft een looptijd van 5 jaar. De interest wordt aan het einde van elk jaar betaald. Bereken het bedrag dat aan het eind van het 2e jaar wordt betaald, als de lening lineair wordt afgelost. De betalingen van de aflossing vinden plaats aan het einde van het jaar.
A
€ 3.000,-
B
€ 8.000,-
C
€ 2.400,-
D
€ 10.400,-

Slide 3 - Quizvraag

Aflossing: kosten en/of uitgaven?
A
Kosten
B
Uitgaven
C
Beide

Slide 4 - Quizvraag

Een ondernemer huurt een pand met een jaarhuur van €6.000. De huur gaat in op 1 juni 2018 en wordt vooruitbetaald voor telkens een kwartaal op 1 juni, 1 september, 1 december & 1 maart. De ondernemer past de maandelijkse permanentie toe.
Waar of niet waar: De betaling in de maand juni 2018 bedraagt €1.500 en de huurkosten in het jaar 2018 bedragen €3.500.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quizvraag

Behoren de aflossingen tot de kosten?
A
Ja
B
Nee

Slide 6 - Quizvraag

Hoe bereken je de Omzet?

Omzet=...
A
Afzet x Verkoopprijs
B
Verkoopprijs x Inkoopprijs
C
Afzet x Omzet
D
Omzet x Verkoopprijs

Slide 7 - Quizvraag

Wat is omzet
A
Dat geeft aan hoeveel winst je maakt
B
Dat geeft aan hoeveel producten je gaat verkopen
C
Dat geeft aan hoeveel euro je hebt gekregen voor de producten die je hebt verkocht
D
Dat geeft aan hoeveel euro je hebt uitgegeven voor de producten die je hebt ingekocht

Slide 8 - Quizvraag

Wat behoort tot de kosten maar niet tot de uitgaven?
A
De aanschaf van een nieuwe bedrijfsauto
B
Het betalen van de energierekening
C
Een privé-opname
D
De afschrijving op inventaris

Slide 9 - Quizvraag

Inkoopwaarde van de omzet deze maand: € 5000


A
Kosten
B
Uitgave
C
Beide

Slide 10 - Quizvraag

Waar gaat het over in de investeringsbegroting?
A
Winst & verliesrekening
B
Activa op balans
C
Passiva op balans
D
Geld in kas en op de bank

Slide 11 - Quizvraag

Waar gaat het over in de financieringsbegroting?
A
Winst & verliesrekening
B
Activa op balans
C
Passiva op balans
D
Geld in kas en op de bank

Slide 12 - Quizvraag

Omzet : afzet =
A
brutowinst
B
nettowinst
C
verkoopprijs
D
inkoopwaarde

Slide 13 - Quizvraag

Een ondernemer heeft op 1 juni 2016 een 6%-lening afgesloten van € 50.000,- De interest wordt elk kwartaal achteraf betaald op 31 augustus, 30 november, 28 februari en 31 mei. Op de lening wordt elk halfjaar € 5.000,- afgelost voor het eerst op 30 november 2016. De ondernemer past de permanentie toe met een resultatenbepaling per maand.

Aan interest en aflossing wordt op 30 november 2017 respectievelijk betaald:

A
€ 750 en € 5.000,-
B
€ 675 en € 5.000,-
C
€ 600,- en € 5.000,-
D
€ 1.200,- en € 5.000,-

Slide 14 - Quizvraag

Een ondernemer heeft op 1 juni 2016 een 6%-lening afgesloten van € 50.000,- De interest wordt elk kwartaal achteraf betaald op 31 augustus, 30 november, 28 februari en 31 mei. Op de lening wordt elk halfjaar € 5.000,- afgelost voor het eerst op 30 november 2016. De ondernemer past de permanentie toe met een resultatenbepaling per maand.

De interestkosten van de maand november 2017 bedragen:
A
€ 5.200,-
B
€ 200,-
C
€ 250,-
D
€ 5.250,-

Slide 15 - Quizvraag

Een ondernemer heeft een auto gekocht voor € 6.000,- de restwaarde bedraagt € 1.000,-. De technische levensduur bedraag 5 jaar en de economisch levensduur 4 jaar. De ondernemer schrijf af met een vast % van da aanschafprijs.
Wat is juist?
A
De jaarlijkste afschrijving bedraagt € 1.250,- , het afschrijvingspercentage is 20,83%
B
De jaarlijkste afschrijving bedraagt € 1.000,- , het afschrijvingspercentage is 16,67%
C
De jaarlijkste afschrijving bedraagt € 1.000,- , het afschrijvingspercentage is 20,83%
D
De jaarlijkste afschrijving bedraagt € 1.250,- , het afschrijvingspercentage is 25%

Slide 16 - Quizvraag

De consumentenprijs is € 25,86. BTW is 21% BTW. Wat is het BTW bedrag?
A
€ 4,49
B
€ 5,43
C
€ 4,75

Slide 17 - Quizvraag

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Betaling per bank aan crediteuren €14.000.
A
Kas -€14.000 Crediteuren +€14.000
B
Kas -€14.000 Crediteuren -€14.000
C
Bank -€14.000 Crediteuren -€14.000
D
Bank -€14.000 Crediteuren +€14.000

Slide 18 - Quizvraag

Omzet : afzet =
A
brutowinst
B
nettowinst
C
verkoopprijs
D
inkoopwaarde

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het gevolg voor de balans als een bedrijf aflost op een hypothecaire lening?
A
Eigen vermogen stijgt Liquide middelen stijgt
B
Eigen vermogen daalt Liquide middelen daalt
C
Lang vreemd vermogen daalt Liquide middelen stijgt
D
Lang vreemd vermogen daalt Liquide middelen daalt

Slide 20 - Quizvraag

Welke balansmutaties vinden er plaats?
Betaald per kas diverse kosten €2.200.
A
Kas -€2.200 Eigen vermogen -€2.200
B
Kas -€2.200 Kosten +€2.200
C
Kas -€2.200 Vreemd vermogen +€2.200
D
Kas +€2.200 Kosten -€2.200

Slide 21 - Quizvraag

Een ondernemer koopt een auto met een aanschafwaarde van € 22.000,- excl. BTW. De auto wordt jaarlijks afgeschreven met 15% van de boekwaarde. Bereken de boekwaarde aan het begin van jaar 3.
A
15.400
B
15.895

Slide 22 - Quizvraag

Welke stelling klopt over afschrijvingskosten?
A
afschrijvingskosten zijn kosten die ook uitgaven zijn
B
afschrijvingskosten zijn kosten die van je bankrekening afgaan
C
afschrijvingskosten hebben geen nut voor een ondernemer
D
afschrijvingskosten zijn het minder waard worden van DBM

Slide 23 - Quizvraag

De boekwaarde van een DBM is:
A
De prijs van een boek
B
De waarde van het DBM op een bepaald moment
C
hetzelfde als de aanschafwaarde
D
hetzelfde als de restwaarde

Slide 24 - Quizvraag

De boekwaarde bereken je door:
A
aanschafwaarde - alle afschrijvingen
B
aanschafwaarde + alle afschrijvingen
C
restwaarde - alle afschrijvingen
D
boekwaarde + restwaarde

Slide 25 - Quizvraag

Welke levensduur is belangrijk bij het berekenen van de afschrijvingskosten?
A
technische levensduur
B
economische levensduur
C
relatieve levensduur
D
cumulatieve levensduur

Slide 26 - Quizvraag

welke formule gebruiken we wanneer we afschrijven met een vast percentage van de aanschafwaarde?
A
(aanschafwaarde - boekwaarde) / technische levensduur
B
(aanschafwaarde - restwaarde) technische levensduur
C
(aanschafwaarde - restwaarde) / economische levensduur
D
(aanschafwaarde + restwaarde) economische levensduur

Slide 27 - Quizvraag

De aanschafwaarde van een auto is
€ 33.275,- inclusief 21% BTW. Bereken de aanschafwaarde exclusief BTW.
A
€ 26.287,25
B
€ 27.500,-

Slide 28 - Quizvraag

De aanschafwaarde van een auto is
€ 27.500,- exclusief 21% BTW. De economische levensduur is gesteld op 4 jaar. De restwaarde van de auto is € 5000,-. Hoeveel bedragen de afschrijvingskosten per jaar?
A
€ 5.500,-
B
€ 8.125,-
C
€ 5.625,-
D
nihil

Slide 29 - Quizvraag

De aanschafwaarde van een auto is
€ 27.500,- exclusief 21% BTW. De economische levensduur is gesteld op 4 jaar. De restwaarde van de auto is € 5000,-. De afschrijvingskosten zijn dan (27.500 - 5.000) / 4 = € 5.625,- per jaar. Hoeveel procent is dit van de aanschafwaarde?
A
125%
B
120,5%
C
25%
D
20,5%

Slide 30 - Quizvraag

De aanschafwaarde van een auto is
€ 27.500,- exclusief BTW. wat is de boekwaarde op het moment van aankoop?
A
€ 0,-
B
€ 27.500,-

Slide 31 - Quizvraag

Succes met de toets
en een goede vakantie!

Slide 32 - Tekstslide