Les 2: Volksverhalen: Het sprookje

Volksverhalen



Les 2: Het sprookje

1 / 34
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Volksverhalen



Les 2: Het sprookje

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen

Je leert …

… de typische kenmerken van volkssprookjes herkennen en benoemen in tekst en beeld. (LPD 8, 10)

… de opbouw van een sprookje chronologisch ordenen en benoemen (expositie → crisis/queeste → hulp/tegenstand → climax → afloop). (LPD 1, 8)

… een sprookje kort samenvatten in eigen woorden en de hoofdgedachte + moraal formuleren. (LPD 3, 6)

Deze slide heeft geen instructies

Wat maakt een sprookje nu eigenlijk een sprookje?

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een sprookje?

  • Een sprookje is een oud volksverhaal waarin fantasie en werkelijkheid samenvloeien. 

  • De verhalen werden mondeling doorgegeven en bevatten vaak een moraal of levensles.

Voorbeeld:

“Assepoester leert ons dat goedheid uiteindelijk beloond wordt.”

Deze slide heeft geen instructies

Kenmerken 

  • Er is een auctoriële (alwetende) verteller.

  • Tijd en plaats zijn onbepaald.

  • Personages zijn vlak en stereotiep.

  • Fantasie en toverkracht spelen een grote rol.

  • Het verhaal is symbolisch en opvoedkundig.

  • Vaak een vaste begin- en eindzin:

        “Er was eens…” / “En ze leefden nog lang en gelukkig.”

Deze slide heeft geen instructies

Chronologie

Deze slide heeft geen instructies

Chronologie

Expositie

  • Tijd, plaats en personages worden voorgesteld

  • Vaak vaag en tijdloos

  • De beginsituatie wordt geschetst

  • Voorbeeld: “Er was eens een arme houtvester…”


Deze slide heeft geen instructies

Chronologie

Crisis

  • Er ontstaat een probleem, conflict of queeste

  • De held moet handelen

  • Helpers en tegenstanders verschijnen

  • Voorbeeld: een vloek, verbanning, opdracht of verlies of queeste

Deze slide heeft geen instructies

Chronologie

Climax

  • Het spannendste moment van het verhaal

  • De beslissende proef, strijd of confrontatie

  • Alles staat op het spel

  • Voorbeeld: het gevecht met de draak

Deze slide heeft geen instructies

Chronologie

Ommekeer

  • Het keerpunt na de climax

  • Het lot van de held verandert

  • De oplossing komt in zicht

  • Voorbeeld: de vloek wordt gebroken

Deze slide heeft geen instructies

Chronologie

Ontknoping

  • Het conflict wordt definitief afgerond

  • Herstel van orde: beloning of straf

  • Vaak een moraal of levensles

  • Voorbeeld: huwelijk, rijkdom, “en ze leefden nog lang en gelukkig”

Deze slide heeft geen instructies

Chronologie

Voorbeeld:

In Doornroosje: de prinses wordt betoverd (crisis), de prins redt haar (climax), en ze leven gelukkig verder (oplossing).



               Maak de BW uit de cursus.

Deze slide heeft geen instructies

Welke typische personages zijn er?

Deze slide heeft geen instructies

Personages

In sprookjes keren bepaalde soorten personages steeds terug. Ze hebben vaak een vaste rol in het verhaal: held, helper, tegenstander of slachtoffer.

Deze slide heeft geen instructies

Typische personages

👑 Koningen, prinsen en prinsessen: De prins redt of helpt de prinses (of wordt door haar geholpen). Voorbeeld: 

🧚‍♀️ Elfen, kabouters, draken en oosterse geesten: Soms behulpzaam, soms gevaarlijk. Voorbeeld: 

🔮 Heksen, feeën en tovenaars: Kunnen goed, kwaad of dubbelzinnig zijn. Voorbeeld: 

Deze slide heeft geen instructies

Typische personages

🐺 Sprekende dieren: Helpen of misleiden mensen, vaak met menselijke trekjes. Voorbeeld:

👧 Kinderen als hoofdpersonage: Slim, moedig en onschuldig --> lossen problemen op met hulp van magie of goede raad. Voorbeeld:

🧙‍♀️ Stiefmoeders en peettantes: Vaak jaloers, gemeen of betoverd; soms feeën of heksen. Voorbeeld: 

Deze slide heeft geen instructies

Typische personages

  • vaak geen echte naam => universeel karakter

  • naam => eigenschap (Roodkapje, Goudlokje,...)

                    => alledaagse naam

  • De karakters in sprookjes zijn vol/vlak:

                    => De prins: knap, moedig, redder

                    => De prinses: lief, mooi, onschuldig

                    => De stiefmoeder: lelijk, jaloers, gemeen

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerpen

Bepaalde onderwerpen komen steeds terug => ze brengen fantasie, spanning en een diepere boodschap.

Vijf veelvoorkomende thema’s:

👉 Betoverde voorwerpen

👉 Magische plaatsen en planten

👉 Gevangenschap

👉 Goed en kwaad

👉 Rijkdom

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerpen

🔮 Voorwerpen met magische kracht

  • Voorwerpen die wensen laten uitkomen of wonderen verrichten.

  • Ze brengen rijkdom, voedsel of vervoeren je naar verre oorden.

Voorbeelden: 

🌿 Fantasiewerelden en symbolische natuur

  • denkbeeldige werelden.

  • planten of plekken zijn magisch en leiden naar andere werelden.

  • symbolische betekenis, zoals de roos = liefde of schoonheid.

Voorbeelden: 

De spiegel en de glazen bol van Sneeuwwitje, de magische lamp van Aladin, het spinnenwiel van Doornroosje. 


Betoverde roos in Belle en het Beest, de paddenstoelen uit Alice in Wonderland

Onderwerpen

🏰 Gevangen… en wachten op bevrijding

  • in een toren,  kasteel of duistere plek

  • in slaap gebracht of veranderd in een dier

 Voorbeelden:

💫 Goedheid wordt beloond, kwaad bestraft

  • strijd tussen goed en kwaad

  • eerlijke mensen -> beloning <-> diefstal, leugens of jaloezie -> afgestraft 

Moraal: Wie goed doet, goed ontmoet.

Voorbeelden:

Rapunzel, Scheherazade, Doornroosje, De kleine zeemeermin



Assepoester: goedheid wordt beloond

De stiefzussen van Assepoester worden gestraft, Assepoester leeft gelukkig verder.

Sneeuwwitje: de slechte stiefmoeder wordt gestraft


Onderwerpen

👑 Rijkdom maakt niet gelukkig

  • kritiek op de rijke adel

  • de machtigen zijn gulzig, hebzuchtig of dom <-> de arme held eerlijk en slim is.

 Voorbeelden:

Ezeltje Strek Je: rijkdom en gulzigheid leiden tot ongeluk.

Het meisje met de zwavelstokjes

Van de visser en zijn vrouw

Vergelijking oud en nieuw

Van mondeling naar geschreven

  • Mondelinge oorsprong → moeilijk te dateren

  • Eerste schriftelijke bronnen: late Middeleeuwen

  • Vanaf 17e eeuw: sprookjes in jeugdliteratuur

  • Verhalen veranderen telkens bij het doorvertellen

Deze slide heeft geen instructies

Eén verhaal, vele vormen

  • Zelfde sprookjes wereldwijd

  • Assepoester, De Schone en het Beest, …

  • Monogenese: één oorsprong → verspreiding door reizigers

  • Polygenese: ontstaan op verschillende plaatsen doordat de volksverhalen uitdrukking geven aan de basisgevoelens van de mens => JUNG psychoanalyse

Deze slide heeft geen instructies

De sprookjesindex

  • Fin Antti Aarne (1910) → internationale index van volksverhalen

  • Aangevuld door Thompson (1961), Uther (2004)

  • Het doel: volksverhalen uit landen vergelijken, -> indelen in categorieën -> ontdekken van varianten en ≠ verhalen 

  • Elke cultuur → eigen invulling  

Zo wordt Assepoester in de Chinese variant niet geholpen door een goede fee, maar door haar moeder, die gereïncarneerd is als vis. In Afrikaanse volkssprookjes wordt de Schone verliefd op een krokodil en een vijfkoppige slang; in een Russische variant valt ze voor een snotterige geit.

Anonieme oorsprong

  • Auteur meestal onbekend

  • Verhalen = gemeengoed (geen auteursrecht)

  • Verteller, schrijver, vertaler vaak niet genoemd

  • Soms zelf verzonnen i.p.v. mondeling gehoord -> heeft de verzamelaar zelf geschreven?

  • Volksverhaal ↔ literaire versie beïnvloeden elkaar

Deze slide heeft geen instructies

Grimm & Andersen

  • Gebroeders Grimm: mondeling + geschreven bronnen

  • Wilhelm Grimm herschreef → literaire stijl

  • Andersen: eigen kunstsprookjes

  • Gebaseerd op oudere verhalen

  • De nieuwe kleren van de keizer → middeleeuwse oorsprong

Deze slide heeft geen instructies

Voor kinderen of niet?

  • Oorspronkelijk: voor volwassenen én kinderen

  • Functie: vermaak + waarschuwing

  • Grimm & Andersen: eerste kinderversies

  • Vanaf toen → opvoedkundig aanvaardbaar

Deze slide heeft geen instructies

Welke openingszin hoort bij een traditioneel sprookje?

A

Lang geleden, in een ver land...

B

Er was eens…

C

In het jaar 1870...

D

Ooit in een ver verleden...

Deze slide heeft geen instructies

Welke personages komen vaak voor in sprookjes?

A

Politici en detectives

B

Sporters en zangers

C

Koningen, prinsessen en heksen

D


Deze slide heeft geen instructies

Hoe zijn de personages in sprookjes vaak?

A

complex

B

vlak

C

stereotiep

D

rond

Deze slide heeft geen instructies

Wat toont de Aarne–Thompson–Uther-index (ATU-index) aan?

A

Hoe lang een sprookje duurt

B

In hoeveel landen en vormen een sprookjestype voorkomt

C

Hoeveel woorden elk sprookje telt

D


Deze slide heeft geen instructies

Wat veranderden Grimm en Andersen aan de oude sprookjes?

A

Ze maakten ze spannender voor volwassenen.

B

Ze herschreven ze op kindermaat.

C

Ze voegden politieke thema’s toe.

D


Deze slide heeft geen instructies

Waarom denk jij dat sprookjes vandaag nog steeds verteld en verfilmd worden?

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht: Vergelijk Sole, Luna en Thalia en hetzelfde sprookje in de versie van Grimm

1. Inhoud: Plaats de inhoud van de beide versies naast elkaar in twee kolommen. Geef aan wat verschilt.

2. Personages: Geef de overeenkomsten en de verschillen aan  in uiterlijk en karakter.

3. Beoordeling: Voor kinderen? Voor volwassenen? Aan welke versie geven jullie de voorkeur? Motiveer je antwoord.


Deze slide heeft geen instructies