Zouten en oplosbaarheid (Scheikunde havo), les 2: Examentraining

Kristallen van het zout haliet (steenzout) (foto: James St. John, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Examentraining

Zouten en oplosbaarheid: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: formule en naam van een zout, verklaren op microniveau, oplosvergelijking met een berekening, en een neerslag voorspellen met de tabel. Acht vragen en een poll.

Onderdelen in deze les

Kristallen van het zout haliet (steenzout) (foto: James St. John, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Examentraining

Zouten en oplosbaarheid: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: James St. John / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over zouten, oplossen en neerslagreacties beantwoorden met de juiste vaktaal.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is gegeven (naam, formule, tabel) en wat moet je geven?

  • 2. Ionen: schrijf de ionen met hun lading op en laat de ladingen compenseren.

  • 3. Controleer: klopt de vergelijking in atomen en in lading, en staan de toestanden erbij?

  • 4. Schrijf: een kort antwoord met de juiste begrippen (ionbinding, hydratatie, neerslag).

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Vraagtype 1: formule en naam van een zout

  • Schrijf de ionen met lading op: de totale lading is 0.

  • Gebruik haakjes bij een samengesteld ion dat vaker dan één keer voorkomt.

  • Bij een metaal met meer ladingen staat het Romeinse cijfer in de naam.

  • Zoek namen en ladingen zo nodig op in Binas of ScienceData.

Deze slide heeft geen instructies

Roest bevat Fe₂O₃. Wat is de naam van deze stof?

A

ijzer(II)oxide

B

ijzer(III)oxide

C

ijzer(III)hydroxide

D

ijzer(II)sulfide

Fe₂O₃: totale negatieve lading 3 × 2− = 6−, dus twee ionen met 3+: ijzer(III). Het negatieve ion is O²⁻: oxide. Verwachte fout: ijzer(II) kiezen omdat er twee ijzerionen zijn. Syllabus M1.10.

Geef de verhoudingsformule van ammoniumfosfaat.

Goed antwoord: (NH₄)₃PO₄. Controle: 3 × 1+ = 3+ en PO₄³⁻ is 3−, samen 0. Verwachte fouten: NH₄PO₄ (lading klopt niet) of NH₄₃PO₄ zonder haakjes. Syllabus M1.10.

Hydratatie van een Na⁺-ion en een Cl⁻-ion (eigen figuur)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Vraagtype 2: verklaren op microniveau

  • Noem de deeltjes: ionen of moleculen.

  • Noem de binding: ionbinding, atoombinding of vanderwaalsbinding.

  • Bij oplossen worden ionbindingen verbroken en ontstaat hydratatie.

  • Een watermolecuul heeft een gedeeltelijk positieve H-kant en een gedeeltelijk negatieve O-kant.

Image credit: Eigen figuur voor deze les

Glucose en NaCl lossen allebei op in water. Wat is het verschil op microniveau?

A

Alleen bij glucose komen losse ionen vrij

B

Bij beide stoffen komen losse atomen vrij

C

Bij beide stoffen worden atoombindingen verbroken

D

Alleen bij NaCl komen losse ionen vrij

NaCl is een zout: ionen worden uit het rooster getrokken en gehydrateerd. Glucose is een moleculaire stof: hele moleculen komen los van elkaar, de atoombindingen blijven heel. Verwachte fout: denken dat bij oplossen altijd atomen vrijkomen. Syllabus M1.9 en M3.8.

Welke kant van een watermolecuul wijst bij hydratatie naar een Cl⁻-ion?

A

De H-kant, want die is gedeeltelijk positief

B

De O-kant, want die is gedeeltelijk negatief

C

Beide kanten even sterk

D

De H-kant, want die is gedeeltelijk negatief

Het negatieve Cl⁻ trekt de gedeeltelijk positieve H-kant aan. Bij Na⁺ wijst de O-kant naar het ion. Verwachte fout: de polariteit van water omdraaien. Syllabus M3.1 en M3.8.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Vraagtype 3: oplosvergelijking en rekenen

  • Schrijf links het zout met (s) en rechts de losse ionen met (aq).

  • De coëfficiënt voor een ion is het aantal ionen per formule-eenheid.

  • Controleer de vergelijking in atomen en in lading.

  • Mol ionen = mol zout × coëfficiënt van het ion.

Deze slide heeft geen instructies

Je lost 0,25 mol CaCl₂ op in water. Hoeveel mol Cl⁻ komt er vrij?

A

0,25 mol

B

0,125 mol

C

0,50 mol

D

0,75 mol

CaCl₂(s) → Ca²⁺(aq) + 2 Cl⁻(aq): molverhouding CaCl₂ : Cl⁻ = 1 : 2, dus 0,25 × 2 = 0,50 mol. Nagerekend: 0,50. Verwachte fouten: de molverhouding vergeten (0,25), delen in plaats van vermenigvuldigen (0,125) of alle ionen tellen (0,75).

Geef de oplosvergelijking van CaCl₂(s).

Goed antwoord: CaCl₂(s) → Ca²⁺(aq) + 2 Cl⁻(aq). Controle: 1 Ca en 2 Cl links en rechts, lading 0 = 2+ + 2×1−. Verwachte fouten: Cl₂²⁻ opschrijven, de coëfficiënt 2 vergeten of de toestandsaanduidingen weglaten. Syllabus R1.2.

Eigen, vereenvoudigde oplosbaarheidstabel voor deze les

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Vraagtype 4: neerslag voorspellen met de tabel

  • Noteer de ionen van beide oplossingen.

  • Maak nieuwe combinaties van een positief ion uit de ene en een negatief ion uit de andere oplossing.

  • Slecht oplosbaar in de tabel (s): neerslag. Goed oplosbaar: ionen blijven opgelost.

  • Schrijf de neerslagvergelijking met alleen de ionen die samenkomen.

Image credit: Eigen figuur voor deze les

BaCl₂(aq) en Na₂SO₄(aq) worden gemengd. Wat zie je?

A

Een neerslag van natriumchloride

B

Een neerslag van bariumchloride

C

Een neerslag van bariumsulfaat

D

Geen neerslag, alle ionen blijven opgelost

Ionen: Ba²⁺, Cl⁻, Na⁺ en SO₄²⁻. Nieuwe combinaties: BaSO₄ (s) en NaCl (g). Dus BaSO₄ slaat neer. Verwachte fout: 'geen neerslag' kiezen omdat de twee beginzouten goed oplossen. Syllabus M3.9. Image credit: Eigen figuur voor deze les

Geef de neerslagreactie bij Ca(NO₃)₂ + Na₂CO₃.

Goed antwoord: Ca²⁺(aq) + CO₃²⁻(aq) → CaCO₃(s). De ionen Na⁺ en NO₃⁻ blijven opgelost en staan niet in de vergelijking. Controle: 1 Ca, 1 C, 3 O en lading 0 links en rechts. Verwachte fouten: de ionen Na⁺ en NO₃⁻ meeschrijven of CaCO₃ als (aq) noteren. Syllabus M3.9 en R1.2.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Formule en naam van een zout

2

Verklaren op microniveau

3

Oplosvergelijking en rekenen

4

Neerslag voorspellen met de tabel

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · ZOUTEN · OPLOSBAARHEID

Tips voor op het examen

  • Schrijf bij elke zoutformule eerst de ionen met lading op en laat de ladingen compenseren.

  • Een samengesteld ion blijft heel: schrijf SO₄²⁻ of NO₃⁻ nooit uit elkaar.

  • Controleer elke vergelijking in atomen en in lading en zet de toestandsaanduidingen erbij.

  • Bij een neerslag kijk je alleen naar de nieuwe combinaties van een positief en een negatief ion.

Deze slide heeft geen instructies