Kapitel 2 29 oktober

Kapitel 2: Wir
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Kapitel 2: Wir

Slide 1 - Tekstslide

Kleine toets
Schrijf de volgende getallen voluit in het Duits

0 - nul
6 - zes
16 - zestien
20 - twintig




40 - veertig
100 - hondert
21- eenentwintig
45- vijfenveertig
90 - negentig
88- achtentachtig



Slide 2 - Tekstslide

Vak Duits & Frans
zelfde hoofdstukindeling
Familie, werkwoorden hebben en zijn
Frans: start met vocabulaire gezinsleden en getallen
Duits: al besproken, nu werkwoord haben.

Slide 3 - Tekstslide

Haben & sein 

Slide 4 - Tekstslide

Persoonlijke voornaamwoorden
Übersetze (vertaal) die Wörter auf Deutsch

Slide 5 - Tekstslide

ik

Slide 6 - Open vraag

wij

Slide 7 - Open vraag

jullie

Slide 8 - Open vraag

jij

Slide 9 - Open vraag

hij

Slide 10 - Open vraag

zij

Slide 11 - Open vraag

u

Slide 12 - Open vraag

het

Slide 13 - Open vraag

Werkwoord haben
blz. 43
onregelmatig werkwoord net als in NL

Slide 14 - Tekstslide

Maken Übung 17 a und b
Zelfstandig

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

ich ...
A
habe
B
hast
C
habt

Slide 17 - Quizvraag

du ...
A
hast
B
habt
C
habe

Slide 18 - Quizvraag

wir ...
A
habt
B
habe
C
haben

Slide 19 - Quizvraag

ihr ...
A
haben
B
habt
C
habe

Slide 20 - Quizvraag

Sie (u) ...
A
hat
B
hast
C
haben

Slide 21 - Quizvraag

sie (mv) ...
A
habt
B
haben
C
hat

Slide 22 - Quizvraag

Hoe ver ben ik?
A
Ik snap alles.
B
Ik snap het een beetje.
C
Ik snap het niet.

Slide 23 - Quizvraag

Opdracht 2:
vul de juiste vorm van "haben" in

Slide 24 - Tekstslide

Ich ... zwei Brüder.

Slide 25 - Open vraag

Sie (ev) ... das Geld gefunden.

Slide 26 - Open vraag

Meine Großeletern ... drei Enkelkinder.

Slide 27 - Open vraag

Es ... mich sehr gefreut.

Slide 28 - Open vraag

... sie ein Foto von ihrem Freund?

Slide 29 - Open vraag

Du ... doch Freunde in München?

Slide 30 - Open vraag

Hoe ver ben ik?
A
Ik snap alles.
B
Ik snap het een beetje.
C
Ik snap het niet.

Slide 31 - Quizvraag

Hausaufgaben
Leer het werkwoord haben  Seite 61
Maken Übung 18, 19 und 20.

Slide 32 - Tekstslide