Woorden over rechten en respect
Woorden over rechten en respect
Deze slide heeft geen instructies
Lesdoel
Ik kan woorden over rechten, identiteit en respect begrijpen en correct gebruiken.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden passen bij rechten en respect?
Gebruik de antwoorden als start: laat leerlingen enkele woorden kort uitleggen. Verwachte thema’s: eerlijk, regels, helpen, vrijheid, school, samenleven.
Rechten en plichten
rechten: dingen die je mag of krijgt
plichten: dingen die je moet doen
Rechten en plichten horen vaak samen
Voorbeeld: je hebt recht op onderwijs, en de plicht om regels te volgen
Houd het concreet met schoolvoorbeelden: recht op pauze, plicht om anderen niet te storen. Vermijd te moeilijke juridische uitleg.
Mensenrechten
mensenrechten zijn rechten voor alle mensen.
Ze gelden voor iedereen, waar je ook woont.
Voorbeelden zijn recht op leven, vrijheid en veiligheid.
Benadruk dat mensenrechten voor iedereen zijn, niet alleen voor volwassenen of voor mensen in één land.
Verdragen
verdragen zijn afspraken tussen landen
In verdragen staan vaak regels en rechten
Landen spreken af om zich eraan te houden
Je kunt zeggen: een verdrag is een officiële afspraak op papier tussen landen.
Vrijheid en meningsuiting
vrijheid: zelf kunnen kiezen binnen de regels
meningsuiting: zeggen of schrijven wat je denkt
Meningsuiting is belangrijk, maar je moet ook respect hebben
Vrijheid betekent niet dat alles mag
Leg eenvoudig uit dat vrijheid samen gaat met verantwoordelijkheid.
Kinderrechten
kinderrechten zijn speciale rechten voor kinderen
Een kind is minderjarig
Kinderen hebben recht op zorg, school en bescherming
Gebruik het woord minderjarig als: nog geen volwassene volgens de wet.
Wat zijn verdragen?
afspraken tussen landen
regels op school
meningen van mensen
kaarten met gegevens
Toetst het kernwoord uit de eerste woordenschatblok. Distractors komen uit andere woorden uit de les: regels, meningsuiting, identiteitskaart.
Vul de juiste woorden in
Je hebt rechten en plichten. Mensenrechten zijn voor alle mensen. In verdragen maken landen afspraken. Vrijheid betekent niet dat alles mag.
Alle woorden komen uit slides 2 tot 6 en hebben elk maar één logische plaats in de tekst.
Passief en actief
passief: je doet weinig of niets
actief: je doet mee of onderneemt iets
Voorbeeld: passief toekijken of actief helpen
Beide woorden beschrijven gedrag
Deze slide heeft geen instructies
Identiteit
identiteit is wie je bent
Dat gaat over naam, gevoelens, taal, familie en interesses
Ook uiterlijk kan bij identiteit horen, maar identiteit is meer dan alleen hoe je eruitziet
Maak duidelijk dat identiteit persoonlijk is en uit meerdere delen bestaat.
Identiteitskaart
Een identiteitskaart is een officieel document
Daarop staan gegevens zoals naam en geboortedatum
Met een identiteitskaart kan je tonen wie je bent
Zeg erbij dat identiteit en identiteitskaart niet hetzelfde zijn: de kaart is een document, identiteit is wie je bent.
Discriminatie
discriminatie is iemand anders behandelen op een oneerlijke manier.
Dat kan gebeuren door huidskleur, geloof, taal, geslacht of uiterlijk.
Discriminatie is niet respectvol.
Gebruik eenvoudige, veilige voorbeelden zonder leerlingen persoonlijk in een ongemakkelijke positie te brengen.
Respect en diversiteit
respect: goed omgaan met anderen
diversiteit: verschillen tussen mensen
In een groep kan iedereen anders zijn
Respect helpt om goed samen te leven
Leg de link met de klasgroep: verschillen in taal, hobby's, geloof of uiterlijk.
Wie is minderjarig?
een kind
een soldaat
een land
een volwassene
Koppelt kinderrechten aan het woord minderjarig.
Wat betekent actief?
niets doen
meevechten
oneerlijk zijn
meedoen
Plausibele verwarring met passief en met andere leswoorden. Houd het concreet: actief = meedoen of iets ondernemen.
Kies de passende woorden
Je identiteit is wie je bent. Je uiterlijk hoort daarbij, maar het is niet alles. Een identiteitskaart is een officieel document met je gegevens.
Laat duidelijk het verschil zien tussen identiteit en identiteitskaart.
Stereotype
Een stereotype is een vast idee over een groep
Zo'n idee is vaak te simpel
Niet iedereen in een groep is hetzelfde
Verbind stereotype met discriminatie: stereotypes kunnen leiden tot oneerlijke behandeling.
Objectief en subjectief
objectief: gebaseerd op feiten
subjectief: gebaseerd op je mening of gevoel
Voorbeeld: 'De jas is blauw' is objectief
'De jas is mooi' is subjectief
Kies extra voorbeelden uit de klas als dat helpt: temperatuur, smaak, muziek.
Kinderarbeid
kinderarbeid is werk door kinderen dat niet goed is voor hen
Het kan school, rust en veiligheid afnemen
Kinderarbeid gaat in tegen kinderrechten
Houd de uitleg eenvoudig en feitelijk. Benadruk het verband met bescherming en onderwijs.
Kindsoldaat
Een kindsoldaat is een kind dat moet meevechten in een oorlog
Dat is gevaarlijk en fout
Kinderen hebben recht op bescherming, niet op oorlog
Wees voorzichtig met dit zware onderwerp; houd het kort en duidelijk op A1-niveau.
Strafbaar
strafbaar betekent: verboden volgens de wet
Als iets strafbaar is, kan er een straf volgen
Sommige vormen van discriminatie of geweld zijn strafbaar
Geef geen ingewikkelde juridische details; focus op de betekenis van het woord.
Wat is objectief?
een gevoel
een feit
een grap
een keuze
Sluit aan bij het contrast objectief-subjectief.
Vul de woorden aan
Als je iemand oneerlijk anders behandelt, is dat discriminatie. Respect tonen helpt in een groep met diversiteit. Een stereotype is een te simpel idee over een groep. Sommige daden zijn strafbaar volgens de wet.
Controleert de kernwoorden uit het laatste blok en de link tussen stereotype, discriminatie en strafbaar.
Waarom past kinderarbeid niet bij kinderrechten?
Verwachte elementen: kinderarbeid is schadelijk werk voor kinderen; het neemt school, rust of veiligheid af; het gaat in tegen kinderrechten. Bespreek in eenvoudige woorden.
Welk woord uit de les onthoud jij het best?
Reflectievraag zonder fout antwoord. Mogelijke antwoorden: rechten, respect, identiteit, objectief/subjectief, discriminatie.
Wat hielp jou vandaag het meest om te leren?
Reflectievraag over het leren. Laat leerlingen kort en eenvoudig antwoorden, bv. 'voorbeeld', 'uitleg', 'oefening'.
Woordenlijst
rechten - dingen die je mag of krijgt
plichten - dingen die je moet doen
mensenrechten - rechten voor alle mensen
verdragen - officiële afspraken tussen landen
vrijheid - zelf kunnen kiezen binnen de regels
meningsuiting - zeggen of schrijven wat je denkt
discriminatie - iemand oneerlijk anders behandelen
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst
passief - weinig of niets doen
actief - meedoen of iets ondernemen
kinderrechten - rechten die kinderen beschermen
identiteit - wie je bent
kindsoldaat - kind dat moet meevechten in oorlog
minderjarig - nog geen volwassene volgens de wet
kinderarbeid - schadelijk werk door kinderen
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst
uiterlijk - hoe iemand eruitziet
identiteitskaart - officieel document met persoonlijke gegevens
respect - goed omgaan met anderen
diversiteit - verschillen tussen mensen
stereotype - vast en te simpel idee over een groep
objectief - gebaseerd op feiten
subjectief - gebaseerd op mening of gevoel
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst
strafbaar - verboden volgens de wet
Deze slide heeft geen instructies