V3 ch 3 grammaire C

Grandes Lignes V3 - chapître 3 - C

1. futur proche - werkwoords tijd om aan te geven wat er in de nabije toekomst gebeurt. 
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Grandes Lignes V3 - chapître 3 - C

1. futur proche - werkwoords tijd om aan te geven wat er in de nabije toekomst gebeurt. 

Slide 1 - Tekstslide

Léander: "J'ai gagné de l'argent (des thunes), je vais m'acheter une montre". 
Madelief: "Tu vas t' acheter une I-watch?" 
Léander: "Oui, avec mon frère nous allons acheter cette I-watch à la Galerie Lafayette". 
Madelief: "Alors, vous allez dépenser beaucoup d'argent!"
Léander: "Mes parents, ils vont venir aussi. C'est eux qui payent." 
Madelief: " tu vas l'acheter à la Galerie Lafayette à Paris?"
Léander: "oui, en effet."
 
In vet = futur proche: ik GA + HELE WERKWOORD

Slide 2 - Tekstslide

Madelief: "vous ...............(gaan kopen) une I-watch?
A
irez acheter
B
allez acheter
C
vont achter
D
ont acheté

Slide 3 - Quizvraag

Werkwoord aller = gaan

Je vais
Tu vas
Il/elle/on va
Nous allons
Vous allez
Ils/elles vont

Slide 4 - Tekstslide

Ils .....(gaan uitgeven) beaucoup de'argent.
A
vont dépenser
B
va dépenser
C
ont dépensé
D
iront dépenser

Slide 5 - Quizvraag

Il va gagner beaucoup de thunes.
A
Hij gaat veel poen verdienen.
B
Hij heeft veel poen verdiend.

Slide 6 - Quizvraag

Il va gagner beaucoup de thunes.
A
futur simple
B
futur proche

Slide 7 - Quizvraag

Grandes Lignes V3 - chapître 3 - C

1. futur simple - werkwoord tijd om aan te geven wat er in de toekomst (wat verder weg - of in officiëlere taal) gebeurt. 

Slide 8 - Tekstslide

Dans 3 ans, David passera son bac.
Avec deux amis, ils prendront la voiture de son père.
Ils visiterons en voiture les grandes villes de l'Europe.
David: "nous prendrons la voiture de mon père et nous visiterons Paris, Barcelone, Marseille, Rome, Athène ..."

Ils partiront pour trois mois! C'est super! 
Mais d'abord il faut passer son bac! 

In vet = futur simple

Slide 9 - Tekstslide

Futur simple - toekomende tijd 
In het Nederlands 'zullen + een heel werkwoord' 
Bijvoorbeeld: Wij zullen een stad bezoeken

In het Frans zit zullen in de vorm van het werkwoord bezoeken.
Dus: nous visiterons une ville. 
De vorm = hele werkwoord + uitgang
visiter+uitgang. 

Slide 10 - Tekstslide

Léander: "J'ai gagné de l'argent (des thunes), je m'achèterai une montre". 
Madelief: "Tu t'achèteras une I-watch?" 
Léander: "Oui, avec mon frère nous irons acheter cette I-watch à la Galerie Lafayette". 
Madelief: "Alors, vous dépenserez beaucoup d'argent!"
Léander: "Mes parents, ils viendront aussi. C'est eux qui payent." 
Madelief: " tu l' achèteras à la Galerie Lafayette à Paris?"
Léander: "oui, en effet."
 
futur simpe
Ik zal ...
J'achèterai = ik zal kopen 

Slide 11 - Tekstslide

Visiter

je visiterai      - ik zal bezoeken
tu visiteras     - jij zult bezoeken  etc. 
il visitera
nous visiterons
vous visiterez
ils visiteront. 

Slide 12 - Tekstslide

David et ses amis ..... (zullen bezoeken) les grandes villes de l'Europe.
A
visiter
B
vont visiter
C
ont visité
D
visiteront

Slide 13 - Quizvraag

David: "nous .....(zullen nemen) la voiture de mon père.
A
prendrons
B
prendrez
C
prenons
D
prenions

Slide 14 - Quizvraag

Futur proche et futur simple 
Deel 2

le 18 février 2021

Slide 15 - Tekstslide

Onregelmatige werkwoorden + futur simple

être (zijn) --> SER + uitgang --> je serai (ik zal zijn)
avoir (hebben) --> AUR + uitgang --> J'aurai (ik zal hebben).
faire --> FER + uitgang --> je ferai (ik zal doen, maken)
aller --> IR --> + uitgang --> j'irai (ik zal gaan)
pouvoir --> POURR + uitgang --> je pourrai (ik zal kunnen)
voir --> VERR + uitgang--> je verrai (ik zal zien). 


Slide 16 - Tekstslide

SER
hoort bij het werkwoord ...
A
avoir
B
être
C
servir
D
faire

Slide 17 - Quizvraag

IR hoort bij het werkwoord
A
être
B
aller
C
avoir
D
faire

Slide 18 - Quizvraag

AUR hoort bij het werkwoord ...
A
avoir
B
être
C
aller
D
augmenter

Slide 19 - Quizvraag

J'aurai
A
Ik zal hebben
B
Ik zal zijn

Slide 20 - Quizvraag

Nous serons
A
wij zullen zijn
B
wij zullen hebben
C
jullie zullen doen
D
jullie zullen dienen

Slide 21 - Quizvraag

Hoe zeg je: jullie zullen hebben?
A
nous auront
B
nous avons eu
C
vous aurez
D
nous iront

Slide 22 - Quizvraag

Hoe zeg je: zij zullen gaan?
A
Ils sont allés
B
Ils auront
C
ils vont
D
Ils iront

Slide 23 - Quizvraag

Welk rijtje met uitgangen voor de futur simple is goed?
1. ai, as, a, ons, ez, ont
2. ai, ais, a, ons, ez, ent
A
rijtje 1
B
rijtje 2
C
allebei

Slide 24 - Quizvraag

Hij zal in Frankrijk zijn ... hoe schrijf je dit in het Frans?

Slide 25 - Open vraag

wij zullen geld hebben. Hoe schrijft je dit in het Frans.

Slide 26 - Open vraag

Ik zal een auto kunnen kopen. Hoe schrijft je dat in het Frans?

Slide 27 - Open vraag

Welke tijd hoor je hier?
audio fut 1

Slide 28 - Open vraag

Welke tijd hoor je hier?
audio fut 2

Slide 29 - Open vraag


aud fut 3
A
Leander gaat een horloge komen.
B
Leander heeft een horloge gekocht.

Slide 30 - Quizvraag

Wat hoor je hier?
Aud fut 4
A
Leander heeft veel geld uitgegeven.
B
Leander en zijn vrienden gaan veel geld uitgeven.
C
Leander en zijn vrienden hebben veel geld uitgegeven.
D
Leander gaat veel geld uitgeven.

Slide 31 - Quizvraag

David passera son bac dans 3 ans.
A
David zal zijn eindexamen over drie jaar doen.
B
David heeft zijn examen drie jaar geleden gedaan.

Slide 32 - Quizvraag

Avec deux amis, ils prendront la voiture de son père pour visiter les grandes villes de l'Europe.
A
David en zijn vrienden zullen de auto van zijn vader nemen.
B
David neemt de auto van zijn vader.
C
Zijn vrienden nemen de auto.
D
Zijn vrienden en hij krijgen de auto van zijn vader.

Slide 33 - Quizvraag


A

Slide 34 - Quizvraag

partir en vacances

Slide 35 - Open vraag

prendre le train

Slide 36 - Open vraag

visiter les grandes villes d'Europe

Slide 37 - Open vraag

Dormir dans des auberges de jeunesse

Slide 38 - Open vraag

Rencontrer des jeunes.

Slide 39 - Open vraag

Faire des rendonnées en montagne

Slide 40 - Open vraag

Faire beau et chaud

Slide 41 - Open vraag

Les devoirs

Schrijf een verhaaltje van ca 50 woorden over wat je in de krokusvakantie zult gaan doen. 

Gebruik de toekomende tijd!!! 

Maak een foto en lever in in Google Classroom. 

Slide 42 - Tekstslide

Je gaat een droom vakantie maken. Je beschrijft aan de hand van de hierna volgende vragen deze vakantie in de FUTUR SIMPLE. 
Je gaat met een vriend of een vriendin. Je schrijft dus vanuit 'wij'. 
Je mag de 'nous' vorm gebruiken of de 'on' vorm. 

Voorbeeld:
Nous partirons en vacances.
On partira en vacances. 

Slide 43 - Tekstslide