Inleiding GHZ en geschiedenis

Begeleiden en zorgen  GHZ
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
GehandicaptenzorgMBOStudiejaar 3,4

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 6 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Begeleiden en zorgen  GHZ

Slide 1 - Tekstslide

Kennismaking
Wie ben je? 
Waar werk je/loop je stage?

Slide 2 - Tekstslide

Handicap
Een handicap is een participatieprobleem. Het gaat om de nadelige positie van iemand met een beperking in de maatschappij. Mensen voelen zich gehandicapt als ze problemen ervaren bij deelname aan de samenleving.

Participatieproblemen: 
- Scholing; 
- Arbeid; 
- Het sociale leven; 
- Vrijetijdsbesteding. 

Slide 3 - Tekstslide

Lichamelijke beperking
Een lichamelijke beperking is meestal een motorische beperking. De zorgvrager wordt gehinderd in zijn handelingen en/of bewegingen.

Een onderverdeling bij een LB is die naar de oorzaak en niet naar de ernst van de beperking; 
- Beperkingen ten gevolge van hersenletsel, aangeboren of niet aangeboren; 
- Aangeboren beperkingen, zoals spina bifida, niet functionerende of ontbrekende lichaamsdelen; 
- Beperkingen door ziekte of aandoeningen, bv MS; 
- Beperkingen door ongevallen, bv een dwarslaesie. 

Slide 4 - Tekstslide

Stoornis

Een defect of het ontbreken van een orgaan of een orgaanfunctie, rekening houdend met de leeftijd van de betrokkenen. 

Het is altijd OBJECTIEF te meten. 

Op het gebied van: 
- Cognitie
- Zintuigen
- Taal
- Organen
- ledematen

Slide 5 - Tekstslide

Beperking
Dit is het gevolg van de stoornis. Het zijn de moeilijkheden die iemand heeft ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten. 

Op het gebied van:
- Communicatie; 
- Verzorging; 
- Lichaamsbeweging; 
- Vaardigheden;
- Gedrag. 

Slide 6 - Tekstslide

Het begrip verstandelijke beperking
= duidelijke beperking in zowel het intellectuele functioneren als het aanpassingsvermogen. Bij een beperking in het aanpassingsvermogen kan iemand niet handelen naar de normen die horen bij zijn leeftijd. Het gaat om normen op het gebied van sociale vaardigheden, verantwoordelijkheden, communicatie, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. De beperking treedt op vóór de leeftijd van 18 jaar

Slide 7 - Tekstslide

Welke verstandelijke beperkingen kennen jullie en zijn jullie tegengekomen?

Slide 8 - Tekstslide

Verstandelijke beperking
  • Cliënten met een verstandelijke beperking verschillen heel erg van elkaar. Er is dus niet één definitie van iemand met een verstandelijke beperking.

  • Wel wordt er binnen de gezondheidszorg uitgegaan van vier niveaus van de verstandelijke beperking. Deze niveaus zijn gebaseerd op het IQ.

  • Zeer ernstig verstandelijk beperkt, ernstig verstandelijk beperkt, matig verstandelijk beperkt en licht verstandelijk beperkt.

Slide 9 - Tekstslide

Indeling in functieniveau 
Licht verstandelijke beperking
: IQ tussen 50/55 en 70. Vaak valt het pas op in de schoolleeftijd. Over het algemeen zijn mensen met een lichte verstandelijke beperking redelijk in staat om zich zelfstandig te redden in de maatschappij. Velen kunnen zich redelijk goed uitdrukken, lezen en met geld omgaan. 

Matig verstandelijke beperking
: IQ tussen 35/40 en 50/55. Vaak blijft de motoriek grof en houterig, taal blijft op een eenvoudig niveau, kunnen eenvoudige problemen oplossen. Zijn aangewezen op een leven in een meer beschermende setting. Ze hebben meestal op alle levensgebieden ondersteuning nodig. 

Ernstig verstandelijke beperking
IQ tussen de 20/25 en 35/40. 
Wanneer ze baby zijn er al grote verschillen in achterstand merkbaar, in de ontwikkeling van de motoriek en manier waarop het kind contact legt. 

Diepe verstandelijke beperking
IQ lager dan 20/25. Ze functioneren op basaal niveau. Er is nauwelijks contact met de omgeving, vaak bedlegerig en in veel gevallen aangewezen op sondevoeding. 

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Licht verstandelijk beperkt
  • IQ tussen 50 en 70
  • Een licht verstandelijke beperking wordt vaak niet direct opgemerkt.
  • Mensen met een licht verstandelijke beperking kunnen veel leren en hebben dus veel mogelijkheden. Maar complexe situaties en sociale situaties zijn vaak lastig voor hen.
  • Wanneer iemand alleen een licht verstandelijke beperking heeft kan hij vaak begeleid zelfstandig wonen.
Cliënten die naast de licht verstandelijke beperking ook ernstige gedragsproblematiek vertonen, kunnen wel in een instelling wonen.

Slide 13 - Tekstslide

Matig verstandelijk beperkt
  • IQ tussen de 35 en 55
  • Voor cliënten met een matig verstandelijke beperking staat de concrete werkelijkheid (dus het hier en nu) centraal. 
  • Deze doelgroep kan zicht goed uiten. 
  • Ze zijn in staat om nieuwe dingen te leren en zij kunnen vaardigheden ontwikkelen. 
  • Het is daardoor mogelijk dat zij in een intramurale instelling wonen om vaardigheden aan te leren en later in een andere woonvorm terecht te komen.    

Slide 14 - Tekstslide

Ernstig verstandelijke beperkt
  • IQ tussen de 20 en 40 
  • Ook deze doelgroep kan terecht in de intramurale zorg. 
  • Deze doelgroep is zich wel bewust van de buitenwereld, maar kan vaak niet goed communiceren. 
  • De zelfredzaamheid van deze cliënten is erg laag en deze cliënten hebben veel behoefte aan structuur. 
  • Binnen de intramurale zorg kunnen zij de begeleiding en structuur krijgen die ze nodig hebben.     

Slide 15 - Tekstslide

Meervoudige beperking
  • Mensen met een meervoudige beperking hebben een verstandelijke en een lichamelijke of zintuiglijke beperking. 
  • Deze beperkingen verschillen per cliënt. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een cliënt doof is en een verstandelijke beperking heeft. 
  • Het verschilt erg per situatie wat voor zorg iemand met een meervoudige beperking nodig heeft. 
  • De zorg is altijd afgestemd op de beperkingen en de behoeften van de cliënt. Indien de cliënt voortdurend ondersteuning en/of zorg nodig heeft kan hij terecht bij een intramurale instelling.    

Slide 16 - Tekstslide

Zeer ernstig meervoudig beperkt
  • IQ tussen 20 en 25 
  • Geheel afhankelijk van anderen. 
  • Worden vaak opgenomen in de intramurale zorg. 
  • Hebben vaak een verlaagd bewustzijn. 
  • Er zijn veel mensen met een zeer ernstig verstandelijke beperking die meervoudig beperkt zijn.       

Slide 17 - Tekstslide

Down met Johnny en Ronnie

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

Welke diverse beperkingen zag je?

Slide 20 - Tekstslide

Fragment bekijken
Zometeen zie je een filmpje van 10 minuten over het werken in de de GHZ. 
Let op de volgende zaken: 

- Hoe wordt er contact gemaakt met de bewoners? 
- Welke rol zou een verzorgende/verpleegkundige kunnen hebben? 

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Niet iedereen met een beperking ervaart een handicap. Geef aan welke zorgvragers op basis van het werk dat ze doen waarschijnlijk een handicap ervaren?

--> Lisa is concertpianist en is door klussen in huis 2 vingers kwijtgeraakt
A
ervaart hierbij wel een handicap
B
ervaart hierbij geen handicap

Slide 23 - Quizvraag

Niet iedereen met een beperking ervaart een handicap. Geef aan welke zorgvragers op basis van het werk dat ze doen waarschijnlijk een handicap ervaren?

--> Anna is sinds haar geboorte doof en werkt sinds 2 jaar als postbezorger.
A
ervaart hierbij wel een handicap
B
ervaart hierbij geen handicap

Slide 24 - Quizvraag

Niet iedereen met een beperking ervaart een handicap. Geef aan welke zorgvragers op basis van het werk dat ze doen waarschijnlijk een handicap ervaren?

--> Henk is agent en heeft een dwarslaesie na een val met een paard.
A
ervaart hierbij wel een handicap
B
ervaart hierbij geen handicap

Slide 25 - Quizvraag

lunchen 

Slide 26 - Tekstslide

De doelgroep uitgewerkt
  • met name zorg: Zeer ernstig en ernstig verstandelijk beperkt.
  • Zorg met begeleiding: Matig verstandelijk beperkt
  • Met name begeleiding: Licht verstandelijk beperkt.

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

ZEVB of Lichaamsgebonden ervaringsfase
  • Alleen wat direct in hun omgeving is telt. Moet lichamelijk te ervaren zijn.
  • vergelijkbaar met baby
  • Geen besef van eigen ik
  • Lichamelijk contact is belangrijk

Hoofdvraag: Is mijn lichaam veilig

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

wat is het eerste woord wat je te binnen
schiet naar aanleiding van dit filmpje

Slide 31 - Woordweb

EVB of lichaamsgebonden / associatieve ervaringsfase
  • Dit hoort bij dat (geluid-moeder, belletje-eten enz.)
  • Herhalen is belangrijk.
  • aanleren door herhalen
  • vergelijkbaar met peuter
Hoofdvraag: Is mijn omgeving betrouwbaar

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Video

Wat is het verschil tussen ZEVB en EVB volgens jou?

Slide 34 - Open vraag

MVB of Associatieve en Structurerende ervaringsfase
  • Er is verbinding met de ander.
  • eigen mening ontwikkeld
  • oorzaak gevolg ontstaat, structuur herkennen
  • vergelijkbaar met kleuter leeftijd

Hoofdvraag: Ken ik de samenhang

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Video

Waar let je op als je met deze doelgroep een activiteit gaat doen?

Slide 37 - Open vraag

LVB of Structurerende en Vormgevende ervaringsfase
  • Eigen keuzes (leren) maken
  • relatie met ander wordt belangrijk
  • zelfstandigheid
  • vergelijkbaar met basisschool kind

Hoofdvraag: mag ik mezelf zijn

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Video

Hoe zou je kunnen weten of iemand een licht verstandelijke beperking heeft

Slide 40 - Open vraag

Slide 41 - Tekstslide

Geschiedenis in de gehandicaptenzorg

Slide 42 - Tekstslide

Geschiedenis vóór 1900
  • 1569 eerste 'Dolhuis' in Amsterdam. Ongewenste mensen worden hier geplaatst en ' weggestopt'.  Tijdens kermissen worden ze tentoongesteld. Ze worden soms aan kettingen vastgelegd en er is geen medische zorg.                                                                          

  • In 1800 Frans Arts Pinel is de grondlegger van het medische model --> wie ziek is heeft zorg nodig. Hij stelt diagnoses en bepaalt welke behandeling nodig is. 

  • 1841 eerste krankzinnigenwet: In deze wet staat dat 'krankzinnigen' recht hebben op verpleging en genezen moeten worden. 

Slide 43 - Tekstslide

Van 1900 tot 1955
  • Vanaf 1900 is er een grote vooruitgang in medische kennis en kunde, vooral orthopedische zorg (beugels, prothesen e.d.) 
  • Er komt een verschil in ' geesteszieken' en ' zwakzinnigen'. 
  • Na de tweede wereldoorlog kregen LVB (debielen) en MVB (imbecielen) kinderen eigen scholen. 
  • Het Ontwikkelingsmodel neemt zijn intrede. Mensen met een  beperking zijn kwetsbaar en kunnen zich niet op eigen kracht in de samenleving handhaven. 
  • Grote instelling waar soms 60 tot 100 mensen leven per afdeling, 2 zusters, mannen en vrouwen gescheiden, wie kan werken moet werken.

 

Slide 44 - Tekstslide

Van 1955 tot 1990
  •  Vanaf 1955 vernieuwingen in de zorg. Men komt erachter dat het niet te maken heeft met afkomst of milieu. Hierdoor is er minder schaamte over kinderen met een VB. 

  • Vanaf 1960 veel aandacht voor onderzoek, diagnoses  en behandeling. Met straffen en belonen wordt ongewenst gedrag geprobeerd af te leren (stroomschokjes). De instellingen liggen nog achteraf en ouders zijn nog nauwelijks betrokken. 

  • 1970-1974: de Dennendal affaire. Paviljoen voor mensen met een VB. Directie en groepsleiders wilden een gemeenschap waar werkers, bewoners en buitenstaanders werken, en wonen.  Nieuw dennendal werd nooit opgericht. De politie ontruimde het pand in 1974 na een ongeluk met een bewoner. 

Slide 45 - Tekstslide

Vanaf 1990
 Hoe wordt er nu gekeken naar mensen met een VB, op het gebied van integratie, arbeid, zorg? 

Slide 46 - Tekstslide

Vanaf 1990
  • Steeds meer aandacht voor zelfbeschikking en zorg op maat.
  • Van aanbodgerichte zorg naar vraaggerichte zorg
  • Integratie is het uitgangspunt
  • Nadruk op mogelijkheden i.p.v. beperkingen

Slide 47 - Tekstslide

Deze les heeft mij een beter beeld van deze doelgroep gegeven
😒🙁😐🙂😃

Slide 48 - Poll

Slide 49 - Tekstslide