230309 Formuleren §5+6

Leg je deze materialen op tafel?

Leesboek
Lesboek
Pen/markeerstift
IPad 
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Leg je deze materialen op tafel?

Leesboek
Lesboek
Pen/markeerstift
IPad 

Slide 1 - Tekstslide

Planning periode 3
(deel 1)
donderdag 16 maart:
Toets formuleren/schrijven (1x)


Slide 2 - Tekstslide

De planning van vandaag:

  1. Leeskwartiertje
  2. Uitleg formuleren §5 + oefenen
  3. Korte pauze (4 minuten)
  4. Uitleg formuleren §6 + oefenen
  5. Tijd voor huiswerk
timer
15:00

Slide 3 - Tekstslide

De planning van vandaag:

  1. Leeskwartiertje
  2. Uitleg formuleren §5 + oefenen
  3. Korte pauze (4 minuten)
  4. Uitleg formuleren §6 + oefenen
  5. Tijd voor huiswerk

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoel

Jij kan op de juiste manier met hen/hun, dat/wat en waarmee/met wie verwijzen.

Slide 5 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden §5
Hen of hun?


Slide 6 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden §5
Voorbeeld:
- Hij ontslaat hen.                     (lijdend voorwerp)
- Ik geef het boek aan hen.   (na voorzetsel)
- Ik geef hun het boek.            (meewerkend voorwerp, zonder vz) 

Dus: ik geef hun het boek OF ik geef aan hen het boek. 

Slide 7 - Tekstslide

Vul aan:
Hij gaf ___ een cadeau.
A
hen
B
hun

Slide 8 - Quizvraag

Vul aan:
Zij vroeg ___ of zij even aan de kant wilden gaan.
A
hun
B
hen
C
aan hun
D
aan hen

Slide 9 - Quizvraag

Leerdoel

Jij kan op de juiste manier met hen/hun, dat/wat en waarmee/met wie verwijzen.

Slide 10 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden §5
Dat of wat?
- Dat gebruik je om te verwijzen naar het-woorden.
- Wat gebruik je om te verwijzen naar:
    - dat, datgene
    - alles, iets, niets, het enige
    - overtreffende trap
    - een hele zin

Slide 11 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden §5
Voorbeelden wat:
- dat, datgene: Dat(gene) wat ik wil, is niet beschikbaar. 
- alles, iets, niets, het enige: Alles wat jij doet, is leuk. 
- overtreffende trap: Patat is het lekkerste wat ik ooit gegeten heb. 
- hele zin: Zij bleef maar tegen mij praten, wat ik heel gezellig vond. 

Slide 12 - Tekstslide

Vul aan:
Dit boek is het saaiste ___ ik ooit heb gelezen.
A
dat
B
wat

Slide 13 - Quizvraag

Vul aan:
De jongen ___ daar loopt, is de broer van mijn buurmeisje.
A
dat
B
wat
C
die

Slide 14 - Quizvraag

Vul aan:
Mieke heeft nooit zin om te voetballen ___ best gek is, want ze kan het goed.
A
dat
B
wat

Slide 15 - Quizvraag

Leerdoel

Jij kan op de juiste manier met hen/hun, dat/wat en waarmee/met wie verwijzen.

Slide 16 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden §5
Waar + vz of vz + wie?

- Naar dieren en dingen verwijs je met: waar + vz
   - De hond waarmee ik wandel, heet Harry
   - De fiets waarop ik fiets, is geel.
- Naar mensen verwijs je met: vz + wie
   - Sam, met wie ik graag afspreek, zit nog op school. 

Slide 17 - Tekstslide

Vul aan:
De nieuwe puppy ____ ik je vertelde, komt volgende week al!
A
over wie
B
waarover

Slide 18 - Quizvraag

Oefenen
Opdracht: 
Maak de opdracht van formuleren §5 (cursus 6).

  • Je mag de opdrachten online maken. Volg dan de leerroute die voor jou beschikbaar is.
  • Werk je uit je boek? Maak dan opdracht 1 t/m 5 (blz. 239) en kijk de opdrachten na.

Hoe: Je maakt het alleen
Wat: Werkboek, schrift en pen
Klaar? Maak via LessonUp de les over verwijswoorden. Je moet dan wel inloggen. 
Formuleren > oefenen verwijswoorden
timer
12:00

Slide 19 - Tekstslide

De planning van vandaag:

  1. Leeskwartiertje
  2. Uitleg formuleren §5 + oefenen
  3. Korte pauze (4 minuten)
  4. Uitleg formuleren §6 + oefenen
  5. Tijd voor huiswerk

Slide 20 - Tekstslide

Pauze
timer
4:00

Slide 21 - Tekstslide

De planning van vandaag:

  1. Leeskwartiertje
  2. Uitleg formuleren §5 + oefenen
  3. Korte pauze (4 minuten)
  4. Uitleg formuleren §6 + oefenen
  5. Tijd voor huiswerk

Slide 22 - Tekstslide

Leerdoel

Ik kan als/dan juist gebruiken.

Ik kan de trappen van vergelijking correct spellen.

Slide 23 - Tekstslide

Trappen van vergelijking H5
3 trappen van vergelijking
- Stellende trap: snel;
- Vergrotende trap: sneller
- Overtreffende trap: snelst

Jouw oma is lief, maar mijn oma is liever en zijn oma is het liefst

Slide 24 - Tekstslide

Wat is de overtreffende trap van 'blond'?
A
blond
B
blonder
C
blondst
D
meest blond

Slide 25 - Quizvraag

Wat is de vergrotende trap van 'zuur'?
A
zuur
B
zuurer
C
zuurder
D
zuurst

Slide 26 - Quizvraag

Trappen van vergelijking H5
Let op, eindigt een woord...
- op -r? -> dan bij de vergrotende trap -der
   raar - raarder, duur  - duurder
- op -s? -> dan bij de overtreffende trap -t
   vers - verst, boos - boost
- op -st? -> dan bij overtreffende trap geen -st, maar meest
   juist - meest juist, bewust - meest bewust

Slide 27 - Tekstslide

Trappen van vergelijking H5
Uitzonderingen, een paar voorbeelden:
goed, beter, best                                   graag, liever, liefst
veel, meer, meest                                  weinig, minder, minst

... als mij of ... dan ik?
- Gebruik als na de stellende trap en dan na de vergrotende trap
- Maak de zin langer: Ana is net zo slim als hij (is)/als ik (ben)

Slide 28 - Tekstslide

Hij weet dat beter ... ik
A
als
B
dan

Slide 29 - Quizvraag

Wat is juist:
Karin is vijf keer sterker als/dan hij/hem.
A
als hij
B
als hem
C
dan hij
D
dan hem

Slide 30 - Quizvraag

Formuleren §5

Online
Volg de leerroute (cursus 6)

óf

Werkboek
Opdracht 1 t/m 5 (blz. 239)
Formuleren §6

Online
Volg de leerroute (cursus 6)

óf

Werkboek
Opdracht 1 t/m 5 (blz. 240)

Slide 31 - Tekstslide