Omtrek en oppervlakte

Omtrek en oppervlakte

1 / 26
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Omtrek en oppervlakte

Open met het verschil tussen de rand van een vorm en de ruimte binnenin. Dat onderscheid is de rode draad van de les.

Lesdoel

Ik kan kiezen welke berekening en formule ik moet gebruiken voor de omtrek en oppervlakte van figuren, ook bij een cirkel en een driehoek.

Deze slide heeft geen instructies

Wat is omtrek?

De omtrek is de hele rand van een figuur.


Je rekent de omtrek uit door alle zijden bij elkaar op te tellen.

Benadruk dat omtrek gaat over lengte van de buitenkant. Koppel dit aan alledaagse voorbeelden, zoals een hek om een tuin.

Wat is oppervlakte?

De oppervlakte is de ruimte binnen een figuur.


Je rekent hoeveel vakjes of hoeveel vierkante eenheden erin passen.

Wijs op het verschil in eenheid: oppervlakte noteer je in vierkante eenheden, zoals cm² of m².

Omtrek of oppervlakte?

  • Rand meten → omtrek

  • Binnenkant berekenen → oppervlakte

  • Omtrek gebruik je bij lint, hek of rand

  • Oppervlakte gebruik je bij vloer, gras of verf

Laat leerlingen letten op woorden in opdrachten: rand, omheen, buitenkant wijzen vaak op omtrek; binnenkant, bedekken, vullen vaak op oppervlakte.

Voorbeeld: rechthoek

Rechthoek van 8 cm lang en 3 cm breed.


  • Omtrek: 8 + 3 + 8 + 3 = 22 cm

  • Oppervlakte: 8 × 3 = 24 cm²


Bij dezelfde figuur gebruik je dus twee verschillende berekeningen.

Noem expliciet dat omtrek optellen is en oppervlakte vermenigvuldigen. Dit voorkomt dat leerlingen alles met dezelfde bewerking gaan doen.

Omtrek van een veelhoek

Bij een figuur met rechte zijden:


  • tel alle zijden op

  • gebruik dezelfde lengte twee keer als zijden gelijk zijn

  • schrijf het antwoord in cm, m of een andere lengte-eenheid

Gebruik hier eventueel een vierkant als extra voorbeeld: 4 + 4 + 4 + 4 = 16 cm of 4 × zijde.

Oppervlakte van rechthoek en vierkant

  • Rechthoek: lengte × breedte

  • Vierkant: zijde × zijde

  • Antwoord altijd in vierkante eenheden

  • Voorbeelden: cm², m², km²

Leg uit dat een vierkant eigenlijk een speciale rechthoek is met vier gelijke zijden.

Voorbeeld: vierkant

Een vierkant heeft zijden van 5 m.


  • Omtrek: 5 + 5 + 5 + 5 = 20 m

  • Oppervlakte: 5 × 5 = 25 m²


Let op: dezelfde maat, maar een andere uitkomst en een andere eenheid.

Benadruk het verschil tussen m en m². Dat is vaak een struikelpunt.

Je wilt een hek om een tuin zetten. Wat reken je uit?

A

oppervlakte

B

omtrek

C

diameter

D

hoogte

Toetst het verschil tussen rand en binnenkant. Leerlingen kiezen soms oppervlakte omdat de tuin groot is, maar een hek gaat om de rand.

Vul de goede woorden in

Bij een figuur met rechte zijden reken je de omtrek uit door alle zijden op te tellen. De oppervlakte van een rechthoek reken je uit met lengte × breedte. Het antwoord daarbij schrijf je in cm² of m².

omtrek
oppervlakte
cm²
cm
straal
diameter
basis

Laat leerlingen ook benoemen waarom cm bij omtrek hoort en cm² bij oppervlakte.

Oppervlakte van een driehoek

Voor een driehoek gebruik je:


oppervlakte = basis × hoogte ÷ 2


Je neemt dus eerst basis × hoogte en daarna deel je door 2.

Leg uit dat de hoogte een rechte lijn is van de basis naar de overstaande punt, loodrecht op de basis.

Voorbeeld: driehoek

Een driehoek heeft:

  • basis = 10 cm

  • hoogte = 6 cm


Berekening:

10 × 6 = 60

60 ÷ 2 = 30 cm²

Laat zien dat niet alle zijden nodig zijn voor de oppervlakte. Alleen basis en hoogte zijn hier nodig.

Omtrek van een driehoek

Voor de omtrek van een driehoek gebruik je niet de formule van de oppervlakte.


  • tel de drie zijden op

  • voorbeeld: 4 cm + 7 cm + 9 cm = 20 cm

Zet het contrast scherp neer: oppervlakte driehoek heeft een formule, omtrek driehoek is gewoon alle zijden optellen.

Welke formule past bij de oppervlakte van een driehoek?

A

basis × hoogte

B

zijde × zijde

C

basis × hoogte ÷ 2

D

alle zijden optellen

De afleiders komen uit andere formules uit de les: rechthoek, vierkant en omtrek.

Vul de goede woorden in

Bij een driehoek gebruik je voor de oppervlakte de basis en de hoogte. Daarna deel je door 2. Voor de omtrek tel je de drie zijden op.

basis
hoogte
2
straal
diameter
4
breedte

Hier wordt ook het contrast geoefend: oppervlakte heeft een formule, omtrek is optellen.

Onderdelen van een cirkel

Bij een cirkel horen deze woorden:


  • straal: van midden naar rand

  • diameter: van rand naar rand door het midden

  • diameter = 2 × straal

Deze begrippen zijn nodig voordat de formules voor de cirkel begrijpelijk zijn.

Omtrek van een cirkel

De formule is:


omtrek = 2 × π × straal


Je mag ook gebruiken:

omtrek = π × diameter


Vaak neem je π ongeveer als 3,14.

Noem dat beide formules hetzelfde betekenen, omdat diameter = 2 × straal.

Voorbeeld: omtrek cirkel

Een cirkel heeft straal 4 cm.


Berekening:

2 × 3,14 × 4 = 25,12


De omtrek is 25,12 cm.

Reken stap voor stap hardop voor. Eventueel afronden bespreken als de docent dat gewend is, maar houd hier de exacte uitkomst met 3,14 aan.

Oppervlakte van een cirkel

De formule is:


oppervlakte = π × straal × straal


Dat schrijf je ook als:

oppervlakte = π × straal²

Leg uit dat straal² betekent: straal keer straal.

Voorbeeld: oppervlakte cirkel

Een cirkel heeft straal 4 cm.


Berekening:

3,14 × 4 × 4 = 50,24


De oppervlakte is 50,24 cm².

Vergelijk dit voorbeeld kort met de vorige slide: zelfde straal, maar andere formule en andere eenheid.

Welke formule kies je?

  • Rechte zijden optellen → omtrek

  • Lengte × breedte → oppervlakte rechthoek

  • Zijde × zijde → oppervlakte vierkant

  • Basis × hoogte ÷ 2 → oppervlakte driehoek

  • 2 × π × straal of π × diameter → omtrek cirkel

  • π × straal² → oppervlakte cirkel

Dit is de samenvattende keuzekaart van de les. Gebruik dezelfde woorden als op eerdere slides.

Welke formule hoort bij de oppervlakte van een cirkel?

A

π × straal²

B

π × diameter

C

2 × π × straal

D

basis × hoogte ÷ 2

Controleert of leerlingen omtrek en oppervlakte van de cirkel uit elkaar houden.

Vul de goede woorden in

Bij een cirkel is de straal van het midden naar de rand. De diameter gaat van rand naar rand door het midden. Voor de omtrek mag je π nemen als 3,14.

straal
diameter
3,14
hoogte
basis
2
cm²

Herhaalt de kernbegrippen die nodig zijn om de cirkelformules te kiezen.

Veelgebruikte woorden

omtrek - de lengte van de rand van een figuur

oppervlakte - de ruimte binnen een figuur

rechthoek - figuur met vier rechte hoeken

vierkant - rechthoek met vier gelijke zijden

driehoek - figuur met drie zijden

cirkel - ronde figuur zonder hoeken

formule - vaste rekenregel

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen en formules

basis - onderkant die je kiest bij een driehoek

hoogte - loodrechte afstand van basis naar punt

straal - afstand van midden naar rand van een cirkel

diameter - lijn door het midden van rand naar rand

π - vast getal, ongeveer 3,14

cm² - vierkante centimeter, eenheid voor oppervlakte

m² - vierkante meter, eenheid voor oppervlakte

Deze slide heeft geen instructies