Breuken - Gelijknamig breuken

Lesdoel: Ik weet het verschil tuissen


Breuken
Wat hebben we al geleerd over breuken?
En hoe werkt het ook alweer?
Lesdoel: 
* Ik ken het verschil tussen de teller en de noemer
* Ik weet wat gelijknamige breuken zijn

1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenISK

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Lesdoel: Ik weet het verschil tuissen


Breuken
Wat hebben we al geleerd over breuken?
En hoe werkt het ook alweer?
Lesdoel: 
* Ik ken het verschil tussen de teller en de noemer
* Ik weet wat gelijknamige breuken zijn

Slide 1 - Tekstslide

Deze getallen heten breuken.

Slide 2 - Tekstslide

Teller en noemer???
Teller en Noemer???
Wat is dat?

Slide 3 - Tekstslide

Hoeveel stukken van de 4
Hoeveel stukken in totaal

Slide 4 - Tekstslide

Wat zegt de teller van een breuk?
A
In hoeveel stukken is het totaal verdeeld.
B
Hoeveel stukken van de breuk je hebt.

Slide 5 - Quizvraag

<div>De bovenkant van de breuk.</div><div><b>1</b>/4</div>
<div>De onderkant van de breuk.</div><div>1/<b>4</b></div>
Dit is de noemer
Dit is de teller

Slide 6 - Sleepvraag

Breuken
1/2 deel
3/8 deel
5/6 deel
1/4 deel

Slide 7 - Sleepvraag

Slide 8 - Tekstslide

Benoem de breuk

Slide 9 - Open vraag

Welke breuk hoort hierbij?
Een breuk voer je in als 1/2

Slide 10 - Open vraag

Welke breuk hoort hierbij?
Een breuk voer je in als 1/2

Slide 11 - Open vraag

Hoe noem je deze
breuk?

Slide 12 - Open vraag

Welke breuk zie je?
Schrijf de breuk op! .../...

Slide 13 - Open vraag

Slide 14 - Video

GELIJKNAMIGE BREUKEN
GELIJKNAMIGE BREUKEN zijn breuken met dezelfde NOEMER:

Je kunt deze gelijknamige breuken bij elkaar 
optellen en aftrekken.              

De NOEMER blijft altijd gelijk!



Slide 15 - Tekstslide

Gelijknamige breuken optellen

Slide 16 - Tekstslide

Wat hebben we geleerd?
Wat het verschil is tussen een teller en noemer

Wat zijn gelijknamige breuken?




Slide 17 - Tekstslide

1. Je krijgt een werkblad

2. Je maakt de sommen

3. Vraag? Leg je kaartje op rood

4. Klaar? Je doet stil iets voor jezelf aan je eigen tafel

Slide 18 - Tekstslide