Lees de onderstaande zinnen en beantwoord de vragen:
a) De ballonvaarder vertelde over zijn avontuur. Hij vond het erg spannend.
Welke verwijswoorden komen voor in deze zin?
b) De leerlingen waren enthousiast. Ze hadden zin om te leren.
Waar verwijst "ze" naar?
c) De paarden schrokken van het voertuig dat te laag vloog.
Welke woorden zijn verwijswoorden in deze zin?