v5 15 juni possessifs et : devoir/falloir/s'asseoir/ se taire

v5                                15 juni 2020
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

v5                                15 juni 2020

Slide 1 - Tekstslide

auj'hui: 
A. préparation d-toets
- les mots/vocabulaire : Français-Néerlandais!
- les verbes
- le conditionnel
- l'adverbe
- les pronoms possessifs


B. à propos de vos lettres et thuiswerk

Slide 2 - Tekstslide

onderdeel 1 : vocabulaire  FN

2 soorten oefeningen: 
a. Kies het juiste woord in de zin 
b. vertaal het woord dat in hoofdletters staat

Slide 3 - Tekstslide

Depuis la crise, il est devenu.......
A
convivial
B
économe
C
quotidien
D
superflu

Slide 4 - Quizvraag

..............au Luxembourg se vend à un prix nettement plus bas
A
le sentier
B
la contestation
C
l'essence
D
la vogue

Slide 5 - Quizvraag

Tu peux mettre ...... dans la poubelle.
A
les agréments
B
les sources
C
les déchets
D
les randonneurs

Slide 6 - Quizvraag

Il faut PRÉVOIR de faire les courses.

Slide 7 - Open vraag

Il faut prévoir de faire LES COURSES

Slide 8 - Open vraag

onderdeel 2 : 
Les verbes de chapitre 5 : devoir/falloir/s'asseoir/ se taire
ATTENTION
=> attention au circonflex : j'ai dû - ik heb moeten
=> attention 3e personne pluriel présent : ils DOIVENT
=> attention au futur : je devrai

=> attention : falloir => uniquement au troisième pers. singulier : il faut/ il a fallu/il fallait/il faudra/il faudrait

=> attention : s'asseoir : plein de formes bizarres! (prochaine slide)

=> attention : se taire  : je me suis tu - ik heb gezwegen

Slide 9 - Tekstslide

s'asseoir - zitten

je m'assieds- ik zit
nous nous asseyons - wij zitten
je me suis assis(e) - ik ben gaan zitten/ heb gezeten
tu t'asseyais - jij zat
je m'assiérai - ik zal gaan zitten
vous vous assiériez-  u zou gaan zitten

Slide 10 - Tekstslide

il ....... .......... (se taire, passé composé)

let op : kleine letters, géén punt achter je antwoord en let op leestekens

Slide 11 - Open vraag

Il .................. répondre aux questions (falloir, imparfait)

let op! kleine letters, geen punt achter je antwoord.

Slide 12 - Open vraag

il .............. boire du lait (falloir, futur)

Slide 13 - Open vraag

ils .............dans la cour (s'assoir, futur)

Slide 14 - Open vraag

Nous...... ......... pendant les cours

Slide 15 - Open vraag

onderdeel 3 : conditionnel
le conditionnel - verleden toekomende tijd
=> vaak beleefdheidsvorm wordt erg veel gebruikt in het Frans
=> suggereert mogelijkheid
=> veel gebruikt in formele brieven
=> condition - voorwaarde :
let op! In een zin vaak een conditionnel en imparfait : na si (als) nooit een conditionnel!!
Si j'avais su, je ne serais pas venu
On trouverait moins de déchets par terre si les gens faisaient attention

Slide 16 - Tekstslide

tu ......................... un joli cadeau! (avoir)

Slide 17 - Open vraag

Nous ...................venir si vous voulez.

Slide 18 - Open vraag

ils .................. se taire (devoir)

Slide 19 - Open vraag

onderdeel 4 : adverbe: gr 04
- zegt iets over een ww:   Elle danse bien 
zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord:   un très (bijwoord) bon danseur 
zegt iets over een ander bijwoord:                  elle danse merveilleusement bien
hoofdregel:
=> je vormt een bw door - ment achter het bvnw te zetten: poli -poliment
=> Als het bvnw niet op een klinker eindigt gebruik je de vrouwelijke vorm : doux => doucement
=> bvnw eindigt op ENT => bw - EMMENT (fréquent => fréquemment)
 => bvnw eindigt op ANT => bw -AMMENT ( constant => constamment)
=> uitzonderingen : bon => bien / mauvais => mal / meilleur => mieux  / rapide => vite
=> bijzondere vormen : précisément / brièvement (bref) / gentiment (gentil)/ énormément/ profondément
=> très = erg wordt met een bn en bw gebruikt : très cool / très vite
=> beaucoup => veel/erg  wordt  na ww gebruikt : j'aime beaucoup ta jupe 
=> uitdrukkingen (zie blz 159) : acheter cher/ parler fort/ coûter cher (kost duur in t Frans hihi) payer cher/ sentir bon-mauvais/ travailler dur/ vendre cher

Slide 20 - Tekstslide

vous apprenez gr.04
- vertaling van NL naar Frans bijwoord invullen genre : 
vous avez (slecht) travaillé  => mal
- kiezen uit vier opties (zie volgende slide ) 

Slide 21 - Tekstslide

elle parlait
A
attentive
B
douxement
C
profondément
D
doucement

Slide 22 - Quizvraag

elle est ..............triste
A
heureusement
B
lentement
C
énormément
D
subiement

Slide 23 - Quizvraag

onderdeel 4 : 
les pronoms possessifs
zelfstandig gebruikt

Slide 24 - Tekstslide

mon chien joue dans le jardin, où est ..............
A
la sienne
B
les vôtres
C
les tiens
D
le tien

Slide 25 - Quizvraag

Mettez mes jolies chaussures derrière .................
A
les leurs
B
les tiens

Slide 26 - Quizvraag

Nous avons vu (UW) leçons, je dois étudier (die van ons)


Geef de vertaling van de vorm in hoofdletters. Let op gebruik in je antwoord alleen kleine letters en zet geen punt achter je antwoord. Let op accenten

Slide 27 - Open vraag

Nous avons vu (uw) leçons, je dois étudier (DIE VAN ONS)


Geef de vertaling van de vorm in hoofdletters. Let op gebruik in je antwoord alleen kleine letters en zet geen punt achter je antwoord. Let op accenten

Slide 28 - Open vraag

finalement........
1. Unité 5 : 43 tm 45
( lecture)
2. Leren blz 66 en 67 in je tekstboek (ter voorbereiding dtoets)
3. Maken 5.11 test jezelf (ter voorbereiding dtoets)
4. Leren voor schoolexamen literatuur

Slide 29 - Tekstslide