26. Blok 5 week 1 les 2 -ch en -cht

spelling - blok 2 - blz. 20
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingBasisschoolGroep 5

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

spelling - blok 2 - blz. 20

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

ch
sj
..armant
..aal
pon..o
ma..ine
..ips
..ouwen

Slide 4 - Sleepvraag


De ..... bestuurt de trein.

Slide 5 - Open vraag


De ..... opereert.

Slide 6 - Open vraag


Mijn trui heeft een .......

Slide 7 - Open vraag


..... eten vind ik lekker.

Slide 8 - Open vraag


Het restaurant is erg ....

Slide 9 - Open vraag


Vandaag krijgen wij een warme ....

Slide 10 - Open vraag

aan het werk
Spelling
Blok 2
Les 5

Uitleg en oefenmix

Slide 11 - Tekstslide

giechelen
Welk woord met ch kennen jullie al?

Slide 12 - Open vraag

lesdoel
Ik ken woorden met met ch en met cht en ik kan deze correct schrijven.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Tim droogt zich af.
Tim droogt zich af.

'Ach, wat heb ik een pech,' zegt hij.

'Het ging toch regenen.

En toen viel ik ook nog in de sloot!'


cht-verhaal


De fietser rijdt zacht door de bocht.

Hij zucht. 'Wat een lange tocht!

Ik kan bijna niet meer recht fietsen.''Ach, wat heb ik een pech,' zegt hij.
'Het ging toch regenen.
En toen viel ik ook nog in de sloot!'


cht-verhaal
De fietser rijdt zacht door de bocht.
Hij zucht. 'Wat een lange tocht!
Ik kan bijna niet meer recht fietsen.'
ch-verhaal
Tim droogt zich af.
'Ach, wat heb ik een pech,' zegt hij.
'Het ging toch regenen.
En toen viel ik ook nog in de sloot!'

cht-verhaal
De fietser rijdt zacht door de bocht.
Hij zucht. 'Wat een lange tocht!
Ik kan bijna niet meer recht fietsen.'






.'

Slide 15 - Tekstslide

Tip van de dag
Als je na een korte klank een g hoort, schrijf je bijna altijd ch. Behalve  bij de uitzonderingen:
ligt, legt, zegt 

Voorbeelden: recht, acht, bocht, zicht


Slide 16 - Tekstslide


A
Deze stof is gemisch.
B
Deze stof is chemisch.

Slide 17 - Quizvraag

timer
1:00

Slide 18 - Woordweb

Slide 19 - Tekstslide


A
Ik doe vrugtenhagel op mijn brood.
B
Ik doe vruchtenhagel op mijn brood.

Slide 20 - Quizvraag

Hoe schrijf je dit getal?

Slide 21 - Open vraag

Schrijf je het woord met ch of cht

Ik la......
A
ch
B
cht

Slide 22 - Quizvraag

Schrijf je het woord met ch of cht

e........oput
A
ch
B
cht

Slide 23 - Quizvraag

Schrijf je het woord met ch of cht

dagto........
A
ch
B
cht

Slide 24 - Quizvraag

Kies de juiste spelling
"zonli...t"
A
g
B
gg
C
ch

Slide 25 - Quizvraag

Schrijf je het woord met ch of cht

onzi.......baar
A
ch
B
cht

Slide 26 - Quizvraag

Schrijf je het woord met ch of cht.

beri.......je
A
ch
B
cht

Slide 27 - Quizvraag


Slide 28 - Open vraag

OEFENDICTEE

Slide 29 - Tekstslide

WOORD 1

Slide 30 - Open vraag

WOORD 2

Slide 31 - Open vraag

WOORD 3

Slide 32 - Open vraag

WOORD 4

Slide 33 - Open vraag

WOORD 4

Slide 34 - Open vraag

spelling
 Thema 5, week 1

Les 1 instructieles
Flitsen bij les 1
15 x plussen

1K

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Link