Blok 3 spelling les 3 meervoud, verkleinwoorden, trema, meeste

Lezen
timer
20:00
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3

In deze les zitten 18 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Lezen
timer
20:00

Slide 1 - Tekstslide

Wat ga je leren vandaag?
Meervoud van zelfstandige naamwoorden,
verkleinwoorden en een trema gebruiken.

Kader: meeste of meesten?

Slide 2 - Tekstslide

Meervouden op -s
Schrijf de -s aan een woord vast als de uitspraak correct blijft.

Voorbeelden:
Kamers
Logés
Dominees

Slide 3 - Tekstslide

Om uitspraakproblemen te voorkomen 's!
  • Bij afkortingen: vwo's, cao's & cd's
  • In woorden die eindigen op: a, i, o, u en y: bikini's, piano's, accu's, lama's, hobby's
  • UITZONDERINGEN: etuis, bureaus, cowboys, jockeys, essays (geen uitspraakprobleem)

Slide 4 - Tekstslide

Meervouden op -en
Schrijf -en aan het woord vast: stoelen, koorden, mensen
  • Klinkerweglating: leraar > leraren
  • Medeklinkerverandering: glas > glazen
  • Medeklinkerverdubbeling: rok > rokken

Slide 5 - Tekstslide

Let op!!
Een woord dat eindigt op een onbeklemtoonde -ik-, -es of -et, verdubbelt de laatste medeklinker niet.

Havik > haviken
Stommerik > stommeriken

Slide 6 - Tekstslide

Meervouden met -s of -en
Er zijn woorden met twee meervoudsvormen, met -s of met -en.

Groentes > groenten
Aardappels > aardappelen
Gemeentes > gemeenten

Slide 7 - Tekstslide

Meervouden op -ie
Woorden die eindigen op -ie krijgen soms een -s (directies, kanaries), maar in andere gevallen -n (bacteriën) of -en (melodieën). Voor meervouden op -n of -en is de regel:

Klemtoon op -ie > meervoud met -iën
  • Industrie > industrieën
Klemtoon niet op -ie > meervoud met -n; trema op de e die er al staat
  • Olie > oliën 

Slide 8 - Tekstslide

Meervouden op -ee
Woorden die eindigen op -ee krijgen in het meervoud altijd -ën erbij.

Twee > tweeën
Zee > zeeën

Slide 9 - Tekstslide

Vreemde meervouden
Oorspronkelijke Latijnse woorden hebben soms twee meervoudsvormen:

Museum > museums , musea
Datum > datums, data
Medium > mediums, media 

Slide 10 - Tekstslide

Verkleinwoorden
  • De meeste verkleinwoorden zijn eenvoudig te maken:

bank - bankje
film - filmpje
tafel - tafeltje
slang - slangetje

Slide 11 - Tekstslide

Verkleinwoorden
Bij verkleinwoorden op een a, é, o of u wordt de klinker verdubbeld (eindigen op lange klank)

auto - autootje
café - cafeetje
opa - opaatje
kano - kanootje
accu - accuutje

Slide 12 - Tekstslide

Verkleinwoorden
  • Verkleinwoorden op de y, schrijf je met een apostrof. 

baby - baby'tje
sherry - sherry'tje

  • Verkleinwoorden op i krijgen ie. 

taxi - taxietje

Slide 13 - Tekstslide

Verkleinwoorden
  • Verkleinwoorden van cijfer- of letterwoorden krijgen ook een apostrof.

A4 - A4'tje
tv - tv'tje

Slide 14 - Tekstslide

Onthouden!

machine - machientje
aspirine - aspirientje
jongen - jongetje
karbonade - karbonaadje
pudding - puddinkje

Slide 15 - Tekstslide

Meeste of meesten?
Regel: als er een zelfstandig naamwoord achter staat, dan schrijf je geen - n.
De meeste kinderen gingen naar huis.

Geen zelfstandig naamwoord erachter:
Schrijf een -n als het verwijst naar personen
Schrijf geen - n als het verwijst naar dingen, planten of dieren

Slide 16 - Tekstslide

Voorbeeld
Mijn twee broers zitten beiden op voetbal.
(broers = personen)

De twee boeken zijn beide kapot.
(boeken = dingen)

Slide 17 - Tekstslide

Wat ga je doen?
Spelling blok 3
basis: 3.9 + 3.10
kader: 3.9
Vragen? Steek je vinger op
Zelfstandig werken, in stilte
Oortjes toegestaan 

Slide 18 - Tekstslide