๐ฃ๏ธ Spreekopdracht: Wat wil je in de vakantie doen?
In tweetallen: elkaar vragen โWat wil jij in het weekend doen?โ
Zinnen maken: โIk wil naarโฆโ, โIk kanโฆโ
Voorbeeld:
A: Wat wil jij in het weekend doen?
B: Ik wil naar het strand.
A: Waarom?
B: Omdat ik van zwemmen hou.
(vraag over wat, waar, wanneer, met wie, hoelang, waarom, enzovoort)