Wereldeconomie 3.6 t/m 3.17

Wereldeconomie
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Wereldeconomie

Slide 1 - Tekstslide

Programma

  • Lesdoelen
  • Vorige les
  • Theorie
  • Aan de slag

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de les
De factoren noemen waardoor vraag en aanbod op de valutamarkt worden bepaalt. 
Uitleggen dat veranderingen in aanbod van en vraag naar een valuta een verandering van de wisselkoers tot gevolg heeft. 
Verband tussen inflatie en wisselkoers uitleggen. 
Verband tussen rente en wisselkoers uitleggen. 

Slide 3 - Tekstslide

De betalingsbalans

Slide 4 - Tekstslide

Betalingsbalans

Op een betalingsbalans staan de geldstromen van en naar het buitenland als gevolg van handel. Als het geld het land uitgaat, staat het op de uitgavenkant. Als er geld het land inkomt, staat het op de ontvangstenkant.

Slide 5 - Tekstslide

Overschot & tekort

Een groter wordend overschot, of een kleiner wordend tekort, heet een verbetering van de betalingsbalans.

Andersom, een verslechtering van de betalingsbalans, betekent dat het tekort groter wordt, of het overschot afneemt.

Slide 6 - Tekstslide

Buitenlandse valutareserve 

Het saldo van de betalingsbalans geeft aan wat er met de deviezenvoorraad van een land gebeurt.


De deviezenvoorraad (ook wel buitenlandse valuta reserve) is - zeg maar - de hoeveelheid buitenlands geld van een land, die gebruikt wordt voor internationale handel.

Bij een tekort op de betalingsbalans gaat er meer geld uit dan er in komt, dus neemt de deviezenvoorraad af. Bij een overschot op de betalingsbalans neemt de deviezenvoorraad dus toe.

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld: overschot op de betalingsbalans
Wanneer een land een overschot op de betalingsbalans heeft, ontvangt het land in meer geld uit het buitenland dan dat zij in die periode moeten betalen aan het buitenland. 
Er wordt dan per saldo geld ontvangen uit het buitenland.

Slide 8 - Tekstslide

Iedereen die geld ontvangt uit het buitenland wil graag betaald worden in de eigen munt. Daarom moet het buitenland haar eigen munten omruilen. Die vreemde valuta komen op die manier terecht in de valutareserve bij de Centrale Bank.

Slide 9 - Tekstslide

Voorbeeld: tekort op de Betalingsbalans
Wanneer een land een tekort op de betalingsbalans heeft, moet het in die periode meer betalen aan het buitenland dan zij in die periode ontvangen uit het buitenland. 
Er moet dus per saldo betaald worden aan het buitenland.

Slide 10 - Tekstslide

Voor die betaling aan het buitenland moet het land de munt hebben van degene die het geld wil ontvangen.
Die vreemde valuta zitten in de valutareserve bij de Centrale Bank.
Een land kan daarom niet permanent een tekort op de betalingsbalans hebben, omdat op een gegeven moment de voorraad vreemd geld op raakt. Een tekort kan dan alleen nog maar als het andere land het accepteert als een schuld.

Slide 11 - Tekstslide

Oefenen
Je krijgt 4 vragen over vraag en aanbod van de euro. 
Hoeveel van deze vragen heb je goed?

Slide 12 - Tekstslide

Europese bedrijven exporteren kaas naar de VS. Vraag of aanbod op de valutamarkt van de euro?
A
Vraag
B
Aanbod

Slide 13 - Quizvraag

Europeanen kopen aandelen Google op Wallstreet. Vraag of aanbod op de valutamarkt van de euro?
A
Vraag
B
Aanbod

Slide 14 - Quizvraag

Veel Europeanen gaan op vakantie in de VS. Vraag of aanbod op de valutamarkt van de euro?
A
Vraag
B
Aanbod

Slide 15 - Quizvraag

De Amerikaanse overheid betaalt 100 miljoen rente aan Europese bedrijven, Vraag of aanbod op de valutamarkt van de euro?
A
Vraag
B
Aanbod

Slide 16 - Quizvraag

Hoeveel van de vragen had je goed?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 17 - Quizvraag

Slide 18 - Tekstslide

Wisselkoersen

- Ontstaan door vraag en aanbod


- Appreciatie, koers stijgt

- Depreciatie koers daalt

Slide 19 - Tekstslide

Saldo lopende rekening = 200 mld.
Saldo kapitaalrekening = 150 mld.
De deviezenvoorraad neemt ...
A
af met € 50 mld.
B
toe met € 50 mld.
C
toe met € 150 mld.
D
toe met € 350 mld.

Slide 20 - Quizvraag

Aanbieders op de valutamarkt zijn alle binnenlandse partijen die iets in het buitenland willen kopen / investeren / beleggen / enz.

Daarvoor moeten zij hun eigen munt omruilen (aanbieden) voor de benodigde vreemde valuta’s.

 

Hoeveel er aangeboden wordt (en met welk doel), is terug te vinden aan de betalingenkant van de betalingsbalans.

Slide 21 - Tekstslide

Rente en wisselkoers
Rente in eurozone stijgt --> trekt buitenlandse beleggers aan --> vraag naar euro stijgt --> wisselkoers euro stijgt. 

Rente in eurozone stijgt --> beleggingen uit eurozone in buitenland daalt --> aanbod van euro's op de valutamarkt daalt --> wisselkoers stijgt. 

Slide 22 - Tekstslide

Inflatie en wisselkoers
Inflatie in eurozone stijgt --> internationale concurrentiepositie neemt af --> minder vraag naar export uit EU --> vraag naar euro neemt af --> wisselkoers euro daalt. 

Inflatie in eurozone is laag --> internationale concurrentiepositie stijgt--> meer vraag naar export uit EU --> vraag naar euro neemt toe --> wisselkoers euro stijgt. 

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Aan de slag
  • Maken t/m 3.17
  • 3.14 en 3.15 bespreken. 

Slide 25 - Tekstslide

Noem 3 factoren waardoor vraag en/of aanbod worden bepaald op de valutamarkt?

Slide 26 - Open vraag