161025 Thema 6 - Vergrotende en overtreffende trap

Trappen van vergelijking
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Trappen van vergelijking

Slide 1 - Tekstslide

Doel
Herhalen
Aan het eind van de les weet je 
weer/nog beter
wat de trappen van vergelijking zijn
en je kunt ze gebruiken in een zin.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Welke trappen?
Stellende trap = een leuk boek
Vergrotende trap = mijn boek is leuker
Overtreffende trap = jouw boek is het leukst

Slide 4 - Tekstslide

    klein, kleiner - groot, groter
Als je mensen of dingen wilt vergelijken, zet je meestal -er achter het woord:
klein - kleiner
groot - groter
dik - dikker
mooi - mooier 

Slide 5 - Tekstslide

Woorden die op een -r eindigen?

Deze woorden krijgen -der achter het woord:

lekker - lekkerder
duur - duurder
zwaar - zwaarder

Slide 6 - Tekstslide

Let op!
Er zijn ook onregelmatige woorden:
        graag  - liever  - het liefst
        goed   - beter  - best
        veel     - meer   - meest
       weinig - minder - minst

Deze woorden moet je dus uit je hoofd leren!

Slide 7 - Tekstslide

Je vergelijkt twee mensen of dingen
-> dan


Omar is ouder dan  mijn broer.
Mijn auto is mooier dan  jouw auto. 
Ik ben langer dan jij.
Maria is jonger dan ik.

Slide 8 - Tekstslide

De vergrotende trap krijgt dus -er
kort - korter
lang -  langer

let op:
slim - slimmer
let op:
groot - groter

Slide 9 - Tekstslide

Wat is de vergrotende trap van 'mooi'?
A
mooier
B
mooist
C
meer mooi
D
mooider

Slide 10 - Quizvraag

Welk woord is de vergrotende trap van 'goed'?
A
goed
B
beter
C
best
D
goedst

Slide 11 - Quizvraag

Wat is de vergrotende trap van 'klein'?
A
kleiner
B
kleine
C
meer klein
D
niet zo groot

Slide 12 - Quizvraag

Welk woord is de vergrotende trap van 'snel'?
A
meer snel
B
snelst
C
sneller
D
fatbike

Slide 13 - Quizvraag

Wat is de vergrotende trap van 'duur'?
A
duur
B
duurder
C
meest duur
D
niet goedkoop

Slide 14 - Quizvraag

Wat is de overtreffende trap van lief?
A
graag
B
liever
C
liefst
D
schattig

Slide 15 - Quizvraag

Wat is de overtreffende trap van vaak?
A
vaker
B
regelmatig
C
(het) vaakst
D
soms

Slide 16 - Quizvraag

Wat is de overtreffende trap van moeilijk?
A
ingewikkeld
B
moeilijkst
C
moeilijker
D
niet te doen

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de stellende trap van zonnigst?
A
zonniger
B
zonnig
C
mooi weer
D
zon

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de stellende trap van grappig?
A
grappigst
B
grappiger
C
grappig
D
leuk

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de stellende trap van blauwer?
A
blauwst
B
blauw
C
lichtblauw
D
donkerblauw

Slide 20 - Quizvraag

Wat is de vergrotende trap van veel?
A
meer
B
meest
C
minder
D
minst

Slide 21 - Quizvraag

Wat doe je meestal om een vergrotende trap te maken?

Slide 22 - Open vraag

Wat is de vergrotende trap van 'graag'?

Slide 23 - Open vraag

Wat is de vergrotende trap van weinig?

Slide 24 - Open vraag

Wat is de vergrotende trap van:
stil

Slide 25 - Open vraag

Wat is de vergrotende en overtreffende trap van 'graag'?

Slide 26 - Open vraag

Wat is de vergrotende en overtreffende trap van 'groot'?

Slide 27 - Open vraag

De groene jurk is mooi, maar de zwarte jurk is ________.

Slide 28 - Open vraag

Een huis is ______ dan tent.
(groot)

Slide 29 - Open vraag

Thee is ______ dan koffie.
(lekker)

Slide 30 - Open vraag

Rekenen is ______ dan Nederlands.
(moeilijk)

Slide 31 - Open vraag

Zelf zinnen maken
Gebruik een vergelijking en het woordje dan.
Bijvoorbeeld: 
mijn fiets - jouw fiets

Mijn fiets is groter dan jouw fiets. 

Slide 32 - Tekstslide

fiets - auto (snel)

Slide 33 - Open vraag

koekjes - fruit (gezond)

Slide 34 - Open vraag

voetbal - tennis

Slide 35 - Open vraag

zomer - winter

Slide 36 - Open vraag

Heb je nog vragen?

Slide 37 - Tekstslide

Ben je klaar voor de toets?
A
ja
B
nee

Slide 38 - Quizvraag