16.1 met pet opdracht keuze

H16 Kracht & Beweging
Voortstuwende kracht
Tegenwerkende kracht
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

H16 Kracht & Beweging
Voortstuwende kracht
Tegenwerkende kracht

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
- Je kunt de verschillende krachten (voorstuwende/tegenwerkende) die bij beweging een rol spelen benoemen/aanwijzen

- Je kunt uitleggen hoe de nettokracht laat zien hoe de snelheid van een voertuig veranderd.

- Je begrijpt dat bij een richtingsverandering ook een nettokracht een rol speelt, ook als er geen snelheidsverandering is.

Slide 2 - Tekstslide

Voorkennis
  • De leerling kent de verschillende soorten krachten (zie H1)

  • De leerling weet dat krachten zelf niet gezien kunnen   worden, maar dat je alleen het effect van de kracht ziet.
 
  • De leerling kan vectoren tekenen en weet dat vectoren   een  beginpunt, richting en een lengte hebben.

Slide 3 - Tekstslide

16.1 Voorstuwen en tegenwerken

Slide 4 - Tekstslide

16.1 Voorstuwen en tegenwerken

Slide 5 - Tekstslide

Voortstuwen en tegenwerken
Om voorwerpen van snelheid te laten veranderen, heb je voortstuwende krachten of tegenwerkende krachten nodig. 
Voorbeeld van tegenwerkende krachten:
  • windkracht (luchtwrijving)
  • remkracht
  • rolwrijving

Slide 6 - Tekstslide

Demo
Stoel verschuiven.
Welke kracht maakt het mij moeilijk om als er iemand op zit?


Slide 7 - Tekstslide

Voortstuwen en tegenwerken
Van een heuvel naar beneden gaat een auto "vanzelf" steeds harder. Door de zwaartekracht wordt de auto steeds meer voortgestuwd. Dit zie je andersom ook. Als je een heuvel op probeert te fietsen, maar je stopt met trappen, zal je afremmen en uiteindelijk zelfs achteruit rollen.   

Slide 8 - Tekstslide

Voortstuwen en tegenwerken
De voorstuwende krachten zijn krachten die maken dat je vooruit komt. (spierkracht, motorkracht, zwaartekracht) 

Tegenwerkende krachten zorgen ervoor dat de beweging juist moeilijker gaat, of dat je afremt. Denk daarbij aan luchtwrijving, rolwrijving, zwaartekracht, andere wrijvingskrachten (onderdelen die langs elkaar bewegen)

Slide 9 - Tekstslide

Resultante/nettokracht
De nettokracht is het resultaat van alle krachten tesamen. Die krachten kunnen onder een hoek staan of in dezelfde richting.

Slide 10 - Tekstslide

Resultante/nettokracht
=> Nettokracht werkt in de bewegingsrichting


=> Nettokracht is 0 N


=> Nettokracht werkt tegen de bewegingsrichting in

Slide 11 - Tekstslide

Tweede wet van Newton:




'als een voorwerp een resulterende kracht ondervindt, zal het versnellen met een versnelling die afhankelijk is van de grootte van de kracht en de massa van het voorwerp'

Slide 12 - Tekstslide

De tweede wet van Newton
F = m x a

F is de resulterende kracht in Newton (N)
m is de massa van het voorwerp in kilogram (kg)
a is de versnelling van het voorwerp in m/s

2
Wij gebruiken deze formule al een hele tijd voor de zwaartekracht:
Zwaartekracht = massa x valversnelling
Fz = m x g
g is op aarde altijd 10 m/s2

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Link

Wat is eenparig versnellen
A
Versnellen waarbij elke seconde de snelheid toeneemt, de toename is niet gelijk
B
Versnellen waarbij de snelheid iedere seconde evenveel toeneemt

Slide 15 - Quizvraag

Deze grafiek hoort bij:
A
Een eenparige versnelling
B
Een constante snelheid
C
Een eenparige vertraging
D
Stilstand

Slide 16 - Quizvraag

Deze grafiek hoort bij:
A
Een eenparige versnelling
B
Een constante snelheid
C
Een eenparige vertraging
D
Stilstand

Slide 17 - Quizvraag

Deze grafiek hoort bij:
A
Een eenparige versnelling
B
Een constante snelheid
C
Een eenparige vertraging
D
Stilstand

Slide 18 - Quizvraag

Deze grafiek hoort bij:
A
Een eenparige versnelling
B
Een constante snelheid
C
Een eenparige vertraging
D
Stilstand

Slide 19 - Quizvraag

Deze grafiek hoort bij:
A
Een eenparige versnelling
B
Een constante snelheid
C
Een eenparige vertraging
D
Stilstand

Slide 20 - Quizvraag

een auto begint op 0 km/h. Na 10 seconden gaat de auto 20 km/h, en na 20 seconden 50 km/h. Is dit een eenparige versnelling?
A
ja
B
nee
C
kun je niet weten

Slide 21 - Quizvraag

De eenheid van versnelling is...
A
N
B
m/s
C
a
D
m/s²

Slide 22 - Quizvraag

De eenheid van vertraging is...
A
N
B
m/s
C
a
D
m/s²

Slide 23 - Quizvraag

stopafstand =
A
reactietijd + remweg
B
reactieafstand + remweg
C
reactieafstand + reactietijd
D
iets anders

Slide 24 - Quizvraag

Wat is de stopafstand?
A
17,5 meter
B
30,6 meter
C
48 meter
D
79 meter

Slide 25 - Quizvraag

Eenparig vertraagde
Eenparige versnelde
Eenparige beweging

Slide 26 - Sleepvraag

Eenparige beweging
Eenparig versnelde beweging
Eenparig vertraagde beweging

Slide 27 - Sleepvraag

Versneld, vertraagd of eenparig
Versneld
Vertraagd
eenparig

Slide 28 - Sleepvraag

Als de voortstuwende kracht > is dan alle tegenwerkende krachten samen:
A
Versneld
B
Vertraagd
C
Constant

Slide 29 - Quizvraag

Als de voortstuwende kracht = is dan alle tegenwerkende krachten:
A
Versneld
B
Vertraagd
C
Constant

Slide 30 - Quizvraag

Als de voortstuwende kracht < is dan alle tegenwerkende krachten samen:
A
Versneld
B
Vertraagd
C
Constant

Slide 31 - Quizvraag

Welke van de volgende krachten is geen tegenwerkende kracht.
A
normaalkracht
B
rolwrijving
C
zwaartekracht
D
luchtwrijving

Slide 32 - Quizvraag

Wanneer heeft een voorwerp een grote traagheid?
A
bij een kleine massa
B
bij een grote massa
C
bij een klein volume
D
bij een groot volume

Slide 33 - Quizvraag

Een fietser rijdt met een constante snelheid van 15 km/h over een asfaltweg.
A
De voortstuwende krachten zijn groter dan de tegenwerkende krachten
B
De voortstuwende krachten zijn kleiner dan de tegenwerkende krachten
C
De voortstuwende krachten zijn gelijk aan de tegenwerkende krachten

Slide 34 - Quizvraag

Een fietser rijdt met toenemende snelheid van een heuvel af
A
De voortstuwende krachten zijn groter dan de tegenwerkende krachten
B
De voortstuwende krachten zijn kleiner dan de tegenwerkende krachten
C
De voortstuwende krachten zijn gelijk aan de tegenwerkende krachten

Slide 35 - Quizvraag

Welk begrip hoort
bij deze afbeelding?
A
Vertraging
B
Weerstand
C
Traagheid
D
Arbeid

Slide 36 - Quizvraag

Een volgeladen vrachtwagen heeft een grotere traagheid dan een lege vrachtwagen.
Hoe merkt een chauffeur dat bij het afremmen?

A
moeilijker bestuurbaar
B
duurt langer om op snelheid te komen.
C
duurt langer om tot stilstand te komen
D
er is geen waarneembaar verschil

Slide 37 - Quizvraag

De tweede wet van Newton luidt:
A
Fnetto = m * a
B
Fres = m * a
C
Fsom = m * a
D
Fnetto = a * m

Slide 38 - Quizvraag

Aan slag!
Maak 16.1 opdr. 4 t/m 9 (p. 211-215 NOVA deel 4B)

Of ga aan de slag met de simulaties:
https://phet.colorado.edu/sims/html/forces-and-motion-basics/latest/forces-and-motion-basics_nl.html

Slide 39 - Tekstslide