les 14 schooltaalwoorden

15 handige woorden voor teksten

1 / 42
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2ISK

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

15 handige woorden voor teksten

Kaartjes Arts Expression

Podiumavond Arts Expressions

Dinsdag 17 Maart, 19:30 De Harmonie Leeuwarden

(met de ISK Schoolband )

Woorden herhalen

We herhalen de schooltaalwoorden van vorige week.

analyseren – Kies de foute zin

  1. De leerlingen analyseren de grafiek voordat ze vragen beantwoorden.

  2. Ik analyseer het schilderij door te kijken naar kleuren en vormen.

  3. We analyseren de tekst door hem in onderdelen te bekijken.

  4. Ik analyseer snel een boek door het meteen uit mijn hoofd te leren.

A

1

B

2

C

3

D

4

criteria – Kies de foute zin

  1. De docent controleert of ons werk voldoet aan de criteria.

  2. Criteria zorgen ervoor dat iedereen pizza kan maken.

  3. We volgen de criteria bij het schrijven van het verslag.

  4. De jury beoordeelt de wedstrijd volgens vaste criteria.

A

1

B

2

C

3

D

4

samengesteld – Kies de foute zin

  1. Het team is samengesteld uit leerlingen van verschillende klassen.

  2. De maaltijd is samengesteld uit groenten, vlees en rijst.

  3. De tafel is samengesteld door het gewoon op de vloer te zetten.

  4. Het rapport is samengesteld uit meerdere onderzoeken.

A

1

B

2

C

3

D

4

vermelden – Kies de foute zin

  1. Vermeld de bron onder je verslag.

  2. Ik vermeld de kat op de tafel.

  3. Vergeet niet te vermelden welke regels je hebt gevolgd.

  4. De docent vermeldt de belangrijkste punten van de les.

A

1

B

2

C

3

D

4

uitgangspunt – Kies de foute zin

  1. Het uitgangspunt van het project is duurzaamheid.

  2. Het uitgangspunt van de taart is lekker.

  3. We vertrekken vanuit het uitgangspunt dat iedereen mee kan doen.

  4. Het uitgangspunt van de les is samenwerken.

A

1

B

2

C

3

D

4

weerspiegelen – Kies de goede zin

  1. De resultaten weerspiegelen het harde werk van de leerlingen.

  2. Mijn schoenen weerspiegelen de docent.

  3. Het schilderij weerspiegelt de geur van het bos.

  4. De cijfers weerspiegelen de kleur van de lucht.

A

1

B

2

C

3

D

4

interpretatie – Kies de goede zin

  1. Haar interpretatie van het schilderij is dat het vliegt.

  2. Iedereen had een andere interpretatie van de tekst.

  3. Ik interpreteer het boek door de bladzijden op te eten.

  4. De interpretatie van de film is dat het papier groeit.

A

1

B

2

C

3

D

4

verloop – Kies de goede zin

  1. Het verloop van de pizza is lekker.

  2. We bespreken het verloop van de Tweede Wereldoorlog.

  3. Het verloop van de schoen is blauw.

  4. De vergadering verloopt door de muren.

A

1

B

2

C

3

D

4

representatie – Kies de goede zin

  1. Het model van het huis is een representatie van de werkelijkheid.

  2. Mijn koffie is een representatie van de tafel.

  3. De kaart is een representatie van mijn schoenen.

  4. Het toneelstuk weerspiegelt de representatie van de pizza.

A

1

B

2

C

3

D

4

Schrijf nu zelf een goede zin met: (de) interpretatie

Schrijf nu zelf een goede zin met: analyseren

Schrijf nu zelf een goede zin met: vermelden

Schrijf nu zelf een goede zin met: zorgvuldig

Aan de slag

Aan het werk:


Schooltaalwoorden les 13 | Quizlet


Nakijken:

Kijk opdracht 10 t/m 16 van woordenschat na.


Maken:

Maak opdracht 1 t/m 6 van hoofdstuk 2 uit het woordenschat boek.

Leerdoel van deze les

Aan het eind van deze les kun je 15 belangrijke woorden begrijpen, uitleggen en gebruiken in een zin.

De nieuwe woorden

vergroten
verminderen
ontstaan
opvallen
veroorzaken

het gebied
de ontwikkeling
het kenmerk
kenmerkend
de waarde

de rol
soortgelijk
waarschijnlijk
namelijk
daarnaast

Welke woorden herken je al?
Schrijf er drie op waarvan je denkt dat je de betekenis weet.

Probeer het woord dan ook in een zin te gebruiken

5

minute

00

second

Wie kent de betekenis?

Leg uit ..

vergroten
verminderen
ontstaan
opvallen
veroorzaken

het gebied
de ontwikkeling
het kenmerk
kenmerkend
de waarde

de rol
soortgelijk
waarschijnlijk
namelijk
daarnaast

5

minute

00

second

Vergroten

Uitleg: Iets groter maken.


Voorbeeld: De nieuwe fabriek kan de productie vergroten.


Woordwolk: groter – uitbreiden – stijgen – toenemen – verhogen.

Verminderen

Uitleg: Iets kleiner of minder maken.


Voorbeeld: De overheid wil het aantal auto's in de stad verminderen.


Woordwolk: minder – dalen – beperken – verkleinen.

Ontstaan

Uitleg: Beginnen te bestaan.


Voorbeeld: Door veel regen kan er een overstroming ontstaan.


Woordwolk: begin – ontstaan – ontstaan uit – vormen.

Opvallen

Uitleg: Iets dat je snel ziet omdat het anders is.


Voorbeeld: De felle kleur van de jas valt op in de klas.


Woordwolk: zien – opvallend – aandacht – merken.

Veroorzaken

Uitleg: De reden zijn dat iets gebeurt.


Voorbeeld: Te weinig slaap kan concentratieproblemen veroorzaken.


Woordwolk: oorzaak – gevolg – leiden tot – maken dat.

Het gebied

Uitleg: Een bepaald stuk land of terrein.


Voorbeeld: In dit gebied wonen veel verschillende diersoorten.


Woordwolk: streek – regio – plek – omgeving.

De ontwikkeling

Uitleg: Een verandering of groei over tijd.


Voorbeeld: De ontwikkeling van internet heeft veel veranderd.


Woordwolk: verandering – groei – vooruitgang – proces.

Het kenmerk

Uitleg: Een eigenschap waaraan je iets kunt herkennen.


Voorbeeld: Een belangrijk kenmerk van street art is het gebruik van kleur.


Woordwolk: eigenschap – herkenning – typisch – detail.

Kenmerkend

Uitleg: Typisch voor iets.


Voorbeeld: Het dragen van bepaalde kleding is kenmerkend voor sommige groepen jongeren.


Woordwolk: typisch – herkenbaar – bijzonder – eigen.

De rol

Uitleg: De functie of taak van iemand.


Voorbeeld: De docent heeft een belangrijke rol in het leerproces.


Woordwolk: taak – functie – positie – bijdrage.

De waarde

Uitleg: Hoe belangrijk of nuttig iets is.


Voorbeeld: Onderwijs heeft veel waarde voor de toekomst.


Woordwolk: belang – betekenis – nut – kwaliteit.

Soortgelijk

Uitleg: Bijna hetzelfde.


Voorbeeld: Deze twee opdrachten zijn soortgelijk.


Woordwolk: vergelijkbaar – gelijk – bijna hetzelfde.

Waarschijnlijk

Uitleg: Grote kans dat iets gebeurt.


Voorbeeld: Het gaat waarschijnlijk morgen regenen.


Woordwolk: kans – misschien – mogelijk – vermoedelijk.

Namelijk

Uitleg: Je geeft een uitleg of reden.


Voorbeeld: De bank is dicht, het is namelijk zondag


Woordwolk: want – reden – uitleg – omdat.

Daarnaast

Uitleg: Er komt nog iets extra bij.


Voorbeeld: De leerling schrijft een verslag en maakt daarnaast een presentatie.


Woordwolk: ook – extra – bovendien – erbij.

🧩 Woord & Situatie Match

Opdracht

Werk in tweetallen

  1. Lees de situatie.

  2. Kies welk schooltaalwoord het beste past.

  3. Herschrijf de zin en gebruik het schooltaalwoord.

15

minute

00

second

🧩 Woord & Situatie Match - nakijken

1 — kenmerkend
Graffiti is kenmerkend voor straatcultuur.

2 — opvallen
De grote piek in de grafiek valt op.

3 — vergroten
De temperatuur kan vergroten van 15 naar 25 graden.

4 — soortgelijk
Deze twee smartphones hebben soortgelijke functies.

5 — de rol
Iedereen heeft een eigen rol in de groep.

🧩 Woord & Situatie Match - nakijken

6 — waarschijnlijk
Het gaat waarschijnlijk regenen.

7 — ontstaan
Na veel regen kan er water in de kelder ontstaan.

8 — de ontwikkeling
De ontwikkeling van technologie is de afgelopen 50 jaar snel gegaan.

9 — het kenmerk
De strepen zijn een belangrijk kenmerk van een zebra.

10 — veroorzaken
Veel fastfood kan gezondheidsproblemen veroorzaken.

🧩 Woord & Situatie Match - nakijken

11 — de waarde
Geld heeft voor sommige mensen veel waarde.

12 — het gebied
In dit gebied wonen weinig mensen.

13 — namelijk
Veel leerlingen luisteren naar rap, namelijk omdat ze zich herkennen in de teksten.

14 — verminderen
De nieuwe regels moeten het aantal auto's in de stad verminderen.

15 — daarnaast
De leerling schrijft een verslag en maakt daarnaast een presentatie.

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.