Hoorcollege HS 1-3 (vb.toets)

Hoorcollege HS 1-3
Hs 1: Het individu en zijn/haar identiteit (microniveau)
Hs 2: Groepen, groepsvorming en sociale cohesie (mesoniveau)
Hs 3: Samenlevingen en culturen (macroniveau)
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijleerMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 45 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Hoorcollege HS 1-3
Hs 1: Het individu en zijn/haar identiteit (microniveau)
Hs 2: Groepen, groepsvorming en sociale cohesie (mesoniveau)
Hs 3: Samenlevingen en culturen (macroniveau)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdstuk 1
Hoofdconcept Vorming
Wat is identiteit?
Wat is je referentiekader?
3 aspecten van identiteit.
Socialisatie.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdconcept vorming
Het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Identiteit = kernconcept
- Het beeld dat je van jezelf hebt,
- dat je uitdraagt naar anderen
- wat je als kenmerkend en blijvend beschouwd
- en wat is afgeleid van de groepen waar je 
wel/niet bijhoort.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Referentiekader
Wat betekent referentiekader?
Het geheel van:
kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van waaruit iemand denkt en handelt.
Ook wel: sociale bril/hoe je dingen ziet.

Je referentiekader heeft invloed op je identiteit.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3 aspecten van identiteit
Lees p.11 'Drie aspecten van identiteit'
persoonlijke ideniteit
Het gaat hier om je zelfbeeld en datgene wat je naar anderen uitstraalt.
sociale identiteit
Mensen maken deel uit van verschillende groepen. De identiteit van een persoon past bij deze groep. Zo niet dan stapt iemand uit de groep want je persoonlijke en sociale identiteit moeten bij elkaar passen om gelukkig te zijn.
collectieve identiteit
Hierbij gaat het om het beeld dat de samenleving blijvend en kenmerkend vindt van een groep. Dus wat mensen van je verwachten heeft te maken met wat het gedrag dat ze bij jouw groep vinden horen.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Socialisatie:
- Overdracht
- Verwerving
van de cultuur van de groepen en de samenleving waar mensen toe behoren.
bestaat o.a. uit opvoeding, opleiding en omgang met anderen.

Socialisatie vormt de identiteit en het referentiekader van een individu.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Socialisatie - overdracht

Mensen die de cultuur van de groep of samenleving  overdragen, zijn socialisatoren.
Dit zijn o.a. je ouders, leraren, vrienden, (sociale) media

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Socialisatie - verwerving
Je neemt de cultuur van je omgeving (en van je socialisatoren) in je op, dit heet internalisatie.

Elke keer dat je in met mensen in contact bent leer je nieuwe dingen, pas je je (onbewust) aan en groeit je referentiekader. Dit is allemaal socialisatie.

Als je je verplaatst naar een nieuwe samenleving/cultuur en deze aanleert heet dit acculturatie

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

HS 2
Hoofdconcept: Binding
Hoe vormen we groepen?
Hoe sterk zijn de groepen? (sociale cohesie)

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdconcept: Binding
verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen:
- mensen in een gezin
- leden van een groep
- in de maatschappij of op het niveau van de staat

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten bindingen
Affectieve bindingen: emotionele bindingen
Cognitieve bindingen: op het gebeid van kennis
Economische bindingen: afhankelijkheden op het gebied van werk, bestaansmiddelen (eten, huis, verwarming)
Politieke bindingen: afhankelijkheden op het gebied van collectieve goederen (onderwijs, zorg, veiligheid, verkeer)
*Micro, meso, macro?

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Groepsvorming
Het tot stand komen van bindingen
- tussen meer dan  2 mensen
- doordat ze elkaar beïnvloeden
-en gemeenschappelijke W&N ontwikkelen

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In- en uitsluiting
als er veel binding is binnen de groep (ingroup), onderscheiden zij zich van de outgroup.
De ingroup zet zich af tegen de outgroup (stereotypen en vooroordelen)
Groepsleden houden zich aan de regels door sociale controle
(formeel en informeel)

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Formeel
Officieel, volgens de regels, in regels/wetten vastgelegd.



Formele groep:
Vastgelegde regels & doelen, leden hebben bepaalde rol
Informeel
Losjes, casual, spontaan, niet officieel, niet in regels vastgelegd.


Informele groep:
Vaak affectieve binding, geen officiele afspraken.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sociale cohesie
HOE STERK ZIJN DE BINDINGEN?
het aantal en de kwaliteit van de bindingen 
die mensen in een ruimer sociaal kader (grotere groepen) met elkaar hebben;
- het gevoel een groep te zijn (en/of)  
- verantwoordelijkheid te voelen voor elkaars welzijn (en/of)
- en een beroep op elkaar kunnen doen.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat houdt een samenleving bijeen?
  1. Gedeelde normen en waarden
  2. Wederzijdse afhankelijkheid
  3. Dwang

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Gedeelde normen & waarden
.

Waarde: iets wat we wenselijk vinden en na willen streven.
Norm: een gedragsregel waar we ons aan houden om de waarde te bereiken.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sociale cohesie
het aantal en de kwaliteit van de bindingen 
die mensen in een ruimer sociaal kader (grotere groepen) met elkaar hebben;
- het gevoel een groep te zijn (en/of)
- lid te zijn van een gemeenschap (en/of)
- verantwoordelijkheid te voelen voor elkaars welzijn (en/of)
- en een beroep op elkaar kunnen doen.
timer
1:00

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

HS 3 
Hoofdconcepten binding en vorming
Wat is de omschrijving van cultuur?
Dominante, sub-, tussen-, en tegencultuur
Aangeleerd of aangeboren?
Dimensies van Hofstede

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Cultuur
Het geheel van waarden, voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen en normen die mensen als lid van een groep of samenleving verworven hebben.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Idealen, zoals vrijheid, gelijkheid en vrijheid
Elementen van cultuur
Ideeën die passen in een groter geheel van opvattingen, zoals een Islamitische, linkse of hedonistische opvatting. Dit zijn waardensystemen.
Beelden, ideeën, verhalen die mensen hebben over een gebeurtenis, bijvoorbeeld over een oorlog.
Waarden

Opvattingen
Voorstellingen

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitdrukkingsvormen
De materiële aspecten van een cultuur, bijvoorbeeld symbolen (kruis voor christenen, hamer en sikkel voor communisten).

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Normen
Regels die horen bij waarden. Bijvoorbeeld bij de regel 'ik scheld anderen niet uit', hoort de waarde 'respect'.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aspecten van cultuur
Aspect = kant of onderdeel van iets.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Materiële aspecten
Zaken die tastbaar en concreet zijn, zoals symbolen en taal.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Immateriële aspecten
Zaken die je niet meteen ziet, maar die wel belangrijk zijn voor de mensen en hun gedrag.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten cultuur

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dominante cultuur

Elementen die de meeste mensen delen
NL taal
Fietsen
Democratie
?
Subcultuur

Kleinere culturen die passen in de dominante cultuur.
Jongerenculturen
Fries
Feyenoord fans
?

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tussencultuur

Migranten

Hebben een beetje van 2 culturen.

Acculturatie
&
Enculturatie
Tegencultuur

Verzetten zich tegen de waarden van de dominante cultuur

Terroristische groepen
Anarchisten

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Cultuur is tijd en plaats gebonden

De cultuur in NL is anders dan in de VS
De cultuur van NL nu is anders dan die van NL in de jaren 90.
De cultuur in de randstad is anders dan die in de Achterhoek

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Cultuur is relatief
Relatief betekent dat iets moet worden bezien in relatie tot iets anders. Een voorbeeld is: groot is een relatief begrip. Het wordt pas zinvol in een bepaalde context.

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5 dimensies
  1. Machtsafstand (weinig - veel)
  2. Individualisme (- collectivisme)
  3. Masculiniteit  (- feminiteit)
  4. Onzekerheidvermijding (weinig - veel)
  5. Lange termijn orientatie (weinig - veel)


Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Masculien
Masculien (mannelijk) > verschillende rolopvattingen mannen+vrouwen: over het algemeen worden van mannen prestaties buiten huis verwacht en van vrouwen wordt verwacht dat ze bezig zijn met zorgen. Van zowel mannen als vrouwen wordt competitie en assertiviteit verwacht. 

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Feminien
Feminien: vrouwelijk > mannen en vrouwen worden als gelijkwaardig beschouwd. Van zowel mannen als vrouwen wordt een samenwerkende en hulpvaardige houding verwacht. 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dimensie onzekerheidsvermijding
Hierbij gaat het erom hoe culturen omgaan met onzekere of onbekende situaties. Daarbij gaat het om de mate waarin mensen zich bedreigd voelen door onzekere of onbekende situaties. 

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dimensie termijngerichtheid
Hierbij gaat het erom hoe culturen met het verleden, heden en de toekomst omgaan.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als laatst:
Hoe komen we aan die identiteit?

aangeboren (nature) of aangeleerd (nurture)?

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nature
Aangeboren eigenschappen; ieder kind dat geboren wordt heeft unieke eigenschappen, biologische en erfelijke factoren.

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nurture
Aangeleerde kenmerken, of gedrag. Dit heeft te maken met de omgeving waarin iemand opgroeit en leeft; opvoeding en omgevingsfactoren.

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gedrag van mensen wordt bepaald door hun genen.
Filosofen/Wetenschappers bij nature-nurture
Criminelen zien er anders uit dan niet-criminelen.
Het meeste gedrag van mensen en dieren is aangeleerd.
Criminaliteit is niet aangeboren, maar mensen kiezen er zelf voor om crimineel gedrag te vertonen.
John Locke & John Stuart Mill
Lombroso
Behavioristen Pavlov en Skinner
Merton

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Micro-, meso-, macroniveau
wat wordt onderzocht?
Vb.
Vergelijking
Micro
gedrag van individuen
interview over identiteit
identiteit van een eeneiige tweeling 
Meso
groepsgedrag
enquete over gedrag in bepaalde wijk
vergelijking sociale cohesie tussen wijken
Macro
gedrag van samenlevingen
welzijn van kinderen in NL (UNICEF)
vergelijking onderwijsprestaties NL-VS

Slide 42 - Tekstslide

Welk niveau was Hofstede's onderzoek naar bedrijfscultuur? En naar nationale culturen?

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 45 - Video

Deze slide heeft geen instructies