4H Verhaalanalyse (stellingen)

Welkom 4H!
Deze LessonUp: herhaling terminologie verhaalanalyse 

Doel: aan het einde van de LessonUp weet jij weer wat een deel van de begrippen was en wat ze betekenen. 
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Welkom 4H!
Deze LessonUp: herhaling terminologie verhaalanalyse 

Doel: aan het einde van de LessonUp weet jij weer wat een deel van de begrippen was en wat ze betekenen. 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als je je kunt inleven in een/het hoofdpersonage, zal je het verhaal spannender vinden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 2 - Quizvraag

Je wil dan weten hoe het verder met hem/haar gaat. Je identificeert je met dat personage.
Een hoofdpersonage kun je vaak reduceren tot enkele eigenschappen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 3 - Quizvraag

Verschil flat/round character nog even herhalen. 
Een rond personage

  • maakt een ontwikkeling door in het verhaal;
  • heeft zowel goede als slechte eigenschappen;
  • is niet in een paar woorden te omschrijven, juist omdat je zoveel eigenschappen van dit karakter kent;
  • is realistisch, levensecht;
  • kan onvoorspelbaar zijn;
  • is meestal een van de hoofdpersonen.

Een vlak personage
  • is op papier maar beperkt ontwikkeld, nogal eenzijdig;
  • heeft vaak maar één of twee eigenschappen, bijvoorbeeld ‘jaloers’, of ‘zorgzaam’;
  • is makkelijk in een paar woorden te omschrijven, want veel meer weet je niet van dit karakter;
  • is niet levensecht, eerder een ‘papieren personage’;
  • is nogal voorspelbaar;
  • is meestal een bijfiguur, geen hoofdpersoon 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een leidmotief komt maar eenmaal voor in een verhaal.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de roman 'De aanslag' duikt regelmatig een dobbelsteen op. Zo speelt de familie Steenwijk net een potje mens-erger-je-niet op het moment dat er een aanslag plaatsvindt. Anton stopt hem in zijn zak. Later lezen we: "Zijn oog viel op de witte tafelaansteker in de vorm van een dobbelsteen."

Van welk soort motief kun je hier spreken?
A
Leidmotief
B
Verhaalmotief

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


                     Motief = steeds terugkerende element
verhaalmotief
herhaald, betekenisvol element in en voor een specifiek verhaal
abstract motief
onmacht, liefde, toeval, eenzaamheid, oorlog
leidmotief
terugkerende voorwerpen (vaak symbolische) dobbelsteen (toeval) spiegel (zelfbeeld)
concreet motief
verhaalelement dat meerdere malen letterlijk voorkomt (bijvoorbeeld een naam)
klassiek(mythologisch) motief
verwijst naar klassieke verhalen, bijv. oedipusmotief, Assepoestermotief)

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als de verteller niet deelneemt aan de handeling en commentaar geeft op de gebeurtenissen, is er een ik-verteller aan het woord.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quizvraag

Je hebt dan te maken met een alwetende of auctoriale verteller.

Als je je verhaal beleeft door de ogen van verschillende hij/zij-figuren heb je te maken met een personaal perspectief.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Je hebt dan te maken met een alleswetende of auctoriale verteller.
Vertelperspectief

Perspectief betekent: gezichtspunt.

Daarmee wordt bedoeld dat de lezer als het ware 'over de schouder' of 'door de ogen van' meekijkt met een van de personages.

Er zijn 4 soorten perspectief:

  1.  Ik-perspectief
  2.  Hij/zij-perspectief
  3. Alwetende verteller
  4. Wisselend perspectief (ook wel: meervoudig perspectief) 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een ik-verteller is betrouwbaarder dan een alwetende verteller
A
Waar
B
Niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verteller?
Vertelinstanties kunnen betrouwbaar of onbetrouwbaar zijn. Dat moet je als lezer zelf bepalen. Je moet daarom actief lezen. 

Voorbeeld: in Hersenschimmen blijkt de verteller van het verhaal dementie te hebben. Hoe betrouwbaar zijn zijn waarnemingen dan nog? 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betrouwbaarheid
  • Bij ik-perspectief: onbetrouwbaar
  • Bij personaal perspectief: onbetrouwbaar
  • Bij meervoudig personaal perspectief: kans wordt groter dat je als lezer het 'ware plaatje' gepresenteerd krijgt
  • Bij alwetende verteller: meest betrouwbaar (maar lezer kan altijd gemanipuleerd worden)

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als je je afvraagt waarom bepaalde gebeurtenissen gaan zoals ze gaan, is er sprake van een open plek.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 14 - Quizvraag

Spanning
Je kunt alleen spanning opwekken in een verhaal door de tijd te vertragen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 15 - Quizvraag

Een auteur kan op heel veel manieren spanning in een verhaal aanbrengen.
Deze trucs noemen we ook wel manipulatietechnieken. De schrijver manipuleert tenslotte de lezer.
Een aantal van deze technieken zijn:
het stoppen op een spannend moment
het wisselen van perspectief
het veranderen van verhaallijn
de lezer op een dwaalspoor zetten.
Spanning
Wat zorgt voor spanning:
- open plekken: vragen die het verhaal bij je oproept
- uitstel 
- vermoedens
- onverwachte wending
- informatievoorsprong (jij als lezer ten opzichte van de personages)
- bedreigende situatie/oplossing
- cliffhanger

Ook het spelen met de tijd kan voor spanning zorgen. Vertragen, versnellen. 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sujet
Fabel

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je in een samenvatting het aantal pagina's of regels van het verhaal noemt, heb je het over de verteltijd.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Chronologie (tijd in het verhaal)
  • Chronologische volgorde: een schrijver vertelt het verhaal in de volgorde waarin alles gebeurd is.
  • Fabel: Alle gebeurtenissen in chronologische volgorde. 
  • Sujet: De volgorde zoals jij leest in het boek. 

Een verhaal heeft altijd een fabel en een sujet. Bij een chronologisch verhaal vallen fabel en sujet samen. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Technieken
  • Tijdversnelling: De schrijver vat een periode in een paar woorden samen. Hij 'versnelt' de tijd. Bijvoorbeeld: "Drie weken later voelde hij zich opeens veel beter". 
  • Tijdvertraging: De schrijver kan er ook voor kiezen om een gebeurtenis heel langzaam te vertellen. Langer dan hij in werkelijkheid zou duren. Bijv.: gedachten, handelingen van personages of ruimte heel uitgebreid beschrijven.                  

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spelen met tijd
  • Flashforward: een sprong vooruit in de tijd 
  • Flashback: een sprong terug in de tijd
  • Functie? De lezer meer duidelijk maken over de hoofdpersoon.

  • Een terugblik/vooruitblik is vaak een zinnetje, een flashback/flashforward een langer stukje. 

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als je de beschreven gebeurtenissen niet verwacht in de ruimte waar ze zich afspelen, spreek je van contrast tussen ruimte en handeling (en dus een contrasterende ruimte)
A
Waar
B
Niet waar

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ruimte (aantekening gehad)
1. De functionele ruimte: de plaats van de handeling is van groot belang voor het verhaal. De ruimte heeft een functie. Voorbeeld: een horrorverhaal start in de kerkers van een verlaten kasteel, bij volle maan, terwijl het regent en bliksemt. Waarom? 

2. De decoratieve ruimte: de ruimte heeft geen enkel belang in het verhaal. De ruimte is functieloos en is er enkel ter decoratie. De decoratieve ruimte is beschrijvend voor een verhaal.

3. De begeleidende ruimte, karakteristieke ruimte of symbolische ruimte: de ruimte ondersteunt de handeling van de personages. Voorbeeld: een prinses huilt omdat de prins moet vertrekken en buiten stormt het en regent het pijpenstelen.

4. De contrasterende ruimte: de plaats van handeling staat in contrast met de handeling. Voorbeeld: een prinses huilt omdat de prins moet vertrekken en de zon schijnt buiten.

Slide 23 - Tekstslide

De ruimte is vaak heel belangrijk in een verhaal.
De ruimte versterkt meestal het verhaal. Dat kan op diverse manieren. 
Een motto is niet hetzelfde als een opdracht.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 24 - Quizvraag

Een motto heeft te maken met de bedoeling van het boek. Een opdracht is een mededeling van een schrijver waarmee hij/zij het werk opdraagt aan een persoon of instantie.
Het thema is hetzelfde als een motief van een boek
A
Waar
B
Niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Thema en motto
  • Het thema is de overkoepelende gedachte van een schrijver bij zijn boek -> jou aanzetten tot nadenken. Soms is het thema geformuleerd als een probleem. 
  • Vaststellen thema: kijk naar motieven, personages en hun relaties, titel en motto. Vraag jezelf af wat de schrijver jouw duidelijk wil maken en waarover hij jou wil laten nadenken. 
  • Het motto geeft de bedoeling van het boek weer. Een motto is vaak een citaat van een beroemde schrijver/dichter/muzikant dat voorin het boek staat. Niet elk boek heeft een motto. 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ieder boek dat je leest is fictie
A
Waar
B
Niet waar

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies