P11 - Les 2 - Geslachtsorganen

P11 - Les 2 - Geslachtsorganen
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
AnatomieMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

P11 - Les 2 - Geslachtsorganen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Man

Slide 7 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Vrouw

Slide 8 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Oestrogeen en testosteron secundaire geslachtskenmerken

De vagina is ............................
geslachtskenmerk
A
een primair
B
een secundair
C
geen

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tepels zijn ............................
geslachtskenmerk
A
een primair
B
een secundair
C
geen

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Borsthaar is ............................
geslachtskenmerk
A
een primair
B
een secundair
C
geen

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een andere benaming voor "portio"?
A
baarmoederhals
B
schede
C
baarmoedermond
D
schaamlippen

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de medische benaming voor balzak?

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar bevindt zich het perineum?
A
Tussen de venusheuvel en de clitoris
B
Tussen de vulva en anus
C
Slijmvlies tussen de uterus en de ovaria
D
Tussen de grote schaamlippen

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar vindt de rijping van eicellen plaats
A
in de baarmoeder
B
in de eierstokken
C
in de eileider
D
in de cervix

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk hormoon produceert het "gele lichaam"?
A
oestrogeen
B
progesteron
C
testosteron

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de prostaat?
A
Produceren van zaadcellen
B
Produceren van hormonen
C
Vocht toevoegen aan de zaadcellen
D
Transporteren van zaadcellen

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar komen de zaadleiders uit?
A
In de prostaat
B
In de urinebuis
C
In de zaadblaasjes
D
In de zwellichamen

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van FSH
A
Aanmaken LH en FSH door hypofyse
B
Zorgen voor een ovulatie
C
Rijping van de eicellen

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

LH zorgt dat het gele lichaam wordt gevormd en het gele lichaam zorgt voor de aanmaak van oestrogeen en progesteron
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mannen maken geen FSH en LH aan
A
Juist
B
Onjuist

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

hormonen man
FSH stimuleert vorming zaadcellen in zaadbal

LH stimuleert productie testosteron



Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet oestrogeen niet?
A
Zorgen dat er geen andere eicellen rijpen
B
Bij voldoende oestrogeen ovulatie laten plaatsvinden
C
Baarmoederslijmvlies wordt dikker
D
Het gele lichaam in standhouden

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe wordt een eicel naar de uterus verplaatst?
A
eicel beweegt zichzelf voort
B
peristaltiek
C
trilhaarbeweging
D
peristaltiek en trilhaarbeweging

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoelang blijft een eicel in leven na de eisprong?
A
maximaal 1 week
B
2 tot 3 dagen
C
9 tot 10 dagen
D
12 tot 24 uur

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies