Tijdvak 7: Les 2 de verlichting

De Verlichting
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,4

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

De Verlichting

Slide 1 - Tekstslide

TV 7: pruiken en revoluties
  • 7a de Verlichting

  • 7b het verlicht absolutisme

  • 7c de trans-Atlantische slavenhandel, de plantages en de opkomst van het abolitionisme

  • 7d de democratische revoluties in westerse landen
 

1700 - 1800

Slide 2 - Tekstslide


De Verlichting
vanaf ±1700



  • Een periode waarin mensen hun kennis (willen) vergroten, door steeds meer uit te gaan van het verstand (rede, ratio)
  • Door gebruik te maken van het verstand maken mensen een einde aan de 'duisternis' van domheid, bijgeloof en onverdraagzaamheid.

    Slide 3 - Tekstslide

    Leerdoelen
    • Je kunt uitleggen dat de Verlichting een gevolg is van de Wetenschappelijk Revolutie

    • Je kunt belangrijke onderwerpen van verlichtingsdenken noemen, en daar voorbeelden bij geven.


    Slide 4 - Tekstslide

    Slide 5 - Video

    Terugblik
    •  Renaissance (ca 1500): kritische blik op oude teksten, waarnemingen zonnestelsel (Copernicus, Galileï)

    • Wetenschappelijke Revolutie (ca 1650) : ontdekking natuurwetten (Newton) en betere instrumenten (microscoop) leiden tot golf van ontdekkingen.

    • Spinoza en Descartes: rationalisme

    Slide 6 - Tekstslide

    Verlicht denker of niet?
    Bekijk onderstaande zinnen en bedenk of ze wel of niet van een Verlichte denker zouden zijn.

    Waarom wel / niet?
    'Emotie is het allerbelangrijkste in het menselijk bestaan'

    'De koning zou zijn macht moeten delen met een parlement'

    'Je moet wel nadenken over jouw geloof, maar de Kerk heeft altijd gelijk.'

    'De adel en geestelijkheid zijn traditioneel gezien nu eenmaal het belangrijkste'
    1
    2
    3
    4

    Slide 7 - Tekstslide

    De Verlichters en het geloof
    Verlichters
    • God heeft de aarde gemaakt, maar grijpt niet in = deïsme
    • Je kunt niet bewijzen dat er 1 waar geloof is, dus je moet verdraagzaam (tolerant) zijn.  Belangrijke figuur = Voltaire.

    Gevolg
    • Voor godsdienstvrijheid
    • Tegen invloed van de kerk op de politiek

    Slide 8 - Tekstslide

    De Verlichters en gelijkheid
    Verlichters
    • Mensen (mannen) zijn gelijk en vrij geboren

    Gevolg
    • Tegen standenmaatschappij
    • Tegen slavernij/slavenhandel (Abolitionisme)

    Slide 9 - Tekstslide

    De Verlichters en politiek I
    Verlichters
    • Een koning is er voor het volk
    • Het volk mag een slechte koning afzetten
    • De echte macht ligt bij het volk (volkssoevereiniteit)

    Gevolg
    • Tegen absolutisme
    • Voor democratie

    Slide 10 - Tekstslide

    Reacties koningen
    • Ideeën van de Verlichting verbieden

    • Of
    • Sommige ideeën overnemen, zolang de vorst alle macht houdt.
    • = Verlicht absolutisme ('alles vóór het volk, niets dóór het volk')

    Slide 11 - Tekstslide

    De Verlichters en politiek II
    John Locke (Eng. 1632-1704)
    Het volk geeft de koning/ regering zijn macht 

    Charles de Montesquieu (Fr. 1689-1755)
    Trias Politica, de scheiding der machten

    Jean Jacques Rousseau (Fr. 1712-1778)
    Volksvertegenwoordiging doet wat het volk wil.

    Slide 12 - Tekstslide

    Slide 13 - Tekstslide

    Slide 14 - Video

    Slide 15 - Video

    Wie heeft in Nederland de uitvoerende macht?
    A
    De regering
    B
    Het parlement
    C
    De koning
    D
    De rechters

    Slide 16 - Quizvraag

    Wie heeft in Nederland de wetgevende macht?
    A
    De regering
    B
    Het parlement
    C
    De koning
    D
    De rechters

    Slide 17 - Quizvraag

    Het parlement is hetzelfde als de (landelijke) volksvertegenwoordiging
    A
    juist
    B
    onjuist

    Slide 18 - Quizvraag

    In het kabinet zitten...
    A
    alle ministers en staatssecretarissen
    B
    de volksvertegenwoordigers

    Slide 19 - Quizvraag

    De regering = staatshoofd + kabinet
    A
    juist
    B
    onjuist

    Slide 20 - Quizvraag

    De ministers...
    A
    controleren de tweede kamer
    B
    bedenken wetten en voeren deze uit

    Slide 21 - Quizvraag

    Een minister zit NOOIT in de volksvertegenwoordiging.
    A
    juist
    B
    onjuist

    Slide 22 - Quizvraag

    Een volksvertegenwoordiger zit NOOIT in het kabinet.
    A
    juist
    B
    onjuist

    Slide 23 - Quizvraag