2.5 Dieren bewegen

2.5 Dieren bewegen
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

2.5 Dieren bewegen

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdstuk 2 Bewegen

Slide 2 - Tekstslide

Verwachtingen
  • Tijdens uitleg ben je stil
  • Heb je een vraag, dan steek je je hand op


  • Tijdens het werken aan hw overleg je rustig met de persoon naast je

Slide 3 - Tekstslide

Maatregel 3T
1> waarschuwing
2> Vooraan zitten
3> volgende week woensdag 15.20 tot 16.20 terug komen   
 (week erna 16.00-17.00)

> Overweging plattegrond te maken

Slide 4 - Tekstslide

Planning
Week 8: 2.1 het skelet 
Week 9: 2.2 Skelet en houding + 2.3 in beweging
Week 10: 2.4 Blessures
Week 11: 2.5 Dieren bewegen
Week 12: herhalen 
Week 13: herhalen + toetsweek vanaf woensdag 

       In de toetsweek H1 en H2 samen in een toets 

Slide 5 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven hoe gewervelde dieren zich voortbewegen.

  • Je kunt aangeven op welk deel van hun poten zoogdieren lopen.

  • Je kunt het verband beschrijven tussen het skelet en de leefwijze van het dier.

  • Je kunt beschrijven hoe ongewervelde dieren bewegen.



Slide 6 - Tekstslide

Leerdoel 1
Je kunt beschrijven hoe gewervelde dieren zich voortbewegen.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Gewervelde dieren
  • Wervelkolom beweegt op en neer


  • Wervelkolom beweegt Links naar rechts

Slide 9 - Tekstslide

Wervelkolom van links naar rechts:
Vissen: zwemmen door met hun lichaam een golfbeweging 
van links naar rechts te maken

Amfibieën:  hebben korte poten, die aan de zijkant van hun 
lichaam zitten. Op het land kruipen ze, ook dan gaat hun 
wervelkolom heen en weer

Reptielen: Slangen hebben veel ribben  waaraan spieren zitten.
Daardoor is hun wervelkolom superbeweeglijk. Zij kronkelen
 vooruit en zetten zich daarbij af tegen de bodem


Slide 10 - Tekstslide

Wervelkolom van op en neer:
Vogels en zoogdieren hebben de poten recht onder hun lichaam. 

Hun wervelkolom maakt golvende bewegingen die 
op en neer gaan. 

Dat komt doordat aan de bovenkant  en aan de
 onderkant van de wervelkolom spieren zitten. 
De rug wordt daardoor afwisselend hol en bol.

Slide 11 - Tekstslide

Wie is er sneller en waarom?

Slide 12 - Tekstslide

Leerdoel 2:
Je kunt aangeven op welk deel van hun poten zoogdieren lopen.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven hoe gewervelde dieren zich voortbewegen.

  • Je kunt aangeven op welk deel van hun poten zoogdieren lopen.

  • Je kunt het verband beschrijven tussen het skelet en de leefwijze van het dier.

  • Je kunt beschrijven hoe ongewervelde dieren bewegen.



Slide 16 - Tekstslide

Aan de slag:
2.4: Maken opdrachten 1 t/m 25

2.5:  maken opdrachten 1 t/m 24
3Tbi.2 = Donderdag af
3Tbi.4 = Vrijdag af 

Slide 17 - Tekstslide

Leerdoel 3:
Je kunt het verband beschrijven tussen het skelet en de leefwijze van het dier.

Slide 18 - Tekstslide

Zelfde bouwplan
De ‘armen’ van de vleermuis zijn zo gebouwd, dat hij ermee kan vliegen. Tussen de vingers zit een sterk vlies.

De mol heeft korte voorpoten met stevige vingers. Hiermee kan hij goed graven. Zo beweegt de mol zich onder de grond voort

De walvis heeft ook korte brede voorpoten. Bij de walvis zijn dit vinnen geworden. Met deze vinnen peddelt hij door het water.



Slide 19 - Tekstslide

Leerdoel 4:
Je kunt beschrijven hoe ongewervelde dieren bewegen.

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

wormen
Een regenworm kruipt door zijn segmenten afwisselend korter en langer te maken.

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Slide 24 - Tekstslide

Weekdieren
Slakken zijn weekdieren. Sommige soorten hebben een uitwendig skelet. Dat is een stevige laag aan de buitenkant, die hun lichaam beschermt. 

Het uitwendige skelet is niet van been of kraakbeen, maar van andere stevige stoffen zoals kalk. Huisjesslakken zoals de tuinslak hebben een huisje van kalk. Slakken bewegen door spierbewegingen van hun voet. Ze glijden over een slijmspoor dat ze zelf maken.

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Video

Slide 28 - Tekstslide

Geleedpotige dieren
Geleedpotige dieren zoals krabben, kreeften en insecten hebben een uitwendig skelet van chitine. Chitine lijkt op de stof waarvan jouw nagels zijn gemaakt.

Slide 29 - Tekstslide

Filmpje online methode

Slide 30 - Tekstslide

Aan de slag:
2.4: Maken opdrachten 1 t/m 25

2.5:  maken opdrachten 1 t/m 24
3Tbi.2 = Donderdag af
3Tbi.4 = Vrijdag af 

Slide 31 - Tekstslide

Beenverbindingen
Gewricht
Naadverbinding
Vergroeid
Kraakbeen verbinding

Slide 32 - Sleepvraag

Spier pees
Spier
Spiervezel
Spiervezelbundel

Slide 33 - Sleepvraag

Welke spieren zijn elkaars antagonisten?
Spier 1 en spier

Spier 2 en spier
3
4
2
1

Slide 34 - Sleepvraag

Kraakbeen weefsel
Been/bot weefsel

Slide 35 - Sleepvraag

De meest bekende zweepslag is een scheurtje in:
A
je armbuigspier
B
je bilspier
C
je kuitspier
D
je armtrekspier

Slide 36 - Quizvraag

Waardoor krijg je spierpijn?
A
Weinig afvalstoffen in je spier
B
overbelasting
C
spierkramp
D
Veel afvalstoffen in je spier

Slide 37 - Quizvraag

Welke blessure zie je in de afbeelding?

A
Kneuzing
B
Botbreuk
C
Ontwrichting
D
Spierscheuring

Slide 38 - Quizvraag

Een vis beweegt
A
Van links naar rechts
B
Op en neer

Slide 39 - Quizvraag

Een vogel beweegt
A
Van links naar rechts
B
Op en neer

Slide 40 - Quizvraag

Een slang beweegt
A
Van links naar rechts
B
Op en neer

Slide 41 - Quizvraag

Teenganger
Zoolganger
Topganger

Slide 42 - Sleepvraag

zoolganger
teenganger
topganger

Slide 43 - Sleepvraag

teenganger
zoolganger
topganger

Slide 44 - Sleepvraag

Door welke twee soorten spieren beweegt een worm?

Slide 45 - Open vraag

Een sprinkhaan heeft een ........
A
Inwendig skelet
B
Uitwendig skelet
C
geen skelet

Slide 46 - Quizvraag

Uitwendig skelet, met spieren aan de binnenkant
Afwisseling van kring en lengte spieren
Uitwendig skelet, voet met spieren en slijmspoor

Slide 47 - Sleepvraag

Slide 48 - Tekstslide