KL29 29/05/18

Le cours de français du 29 mai
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Le cours de français du 29 mai

Slide 1 - Tekstslide

Le programme d'aujourd'hui
- introduction: test la semaine prochaine
- corriger les exercices 33d et 35
- répéter la grammaire / faire le bilan
- jeu de vocabualaire
- évaluer et terminer

Slide 2 - Tekstslide

Corriger
Livre d'exercices page 76

Slide 3 - Tekstslide

2 options
Option 1: ik ga alle grammatica herhalen. Je kunt met mij meedoen (meeluisteren/ meeschrijven).

Option 2: maak le bilan (de oefentoets) à la page 87 du livre d'exercices. De luisteropdracht doen we donderdag gezamenlijk. 

Slide 4 - Tekstslide

Grammaire - bron C
Er zijn 3 manieren om een vraagzin te maken:
- zet een vraagteken achter de zin
- voeg de woorden est-ce que toe
- draai het onderwerp en de persoonsvorm om

1. Tu es néerlandais?
2. Est-ce que tu es néerlandais?
3. Es-tu néerlandais?

Slide 5 - Tekstslide

Vraagwoorden
Er zijn 4 manieren:
- pourquoi tu fais du foot?
- pourquoi est-ce que tu fais du foot?
- pourquoi fais-tu du foot?
- tu fais du foot, pourquoi

Slide 6 - Tekstslide

Vraagwoorden
Pourqoui                - waarom 
Comment              - hoe
Où                             - waar 
Combien                - hoeveel
Quand                     - wanneer 
Qu'est-ce que      - wat
Qui                            - wie

Slide 7 - Tekstslide

Grammaire - bron G
Le présent                                 Le passé composé
Je peux                                       J'ai pu
Tu peux                                       Tu as pu
Il/ elle/ on peut                        Il/ elle/ on a pu
Nous pouvons                         Nous avons pu
Vous pouvez                             Vous avez pu
Ils/ elles peuvent                    Ils/ elles ont pu

Slide 8 - Tekstslide

Grammaire - bron I
In de eerste klas heb je al ne ... pas geleerd.

Hoe moet dat ook alweer?
Stap 1: neem de persoonsvorm uit de zin
Stap 2: zet ne voor de persoonsvorm en pas erachter.

VB: ik slaap niet slecht = je ne dors pas mal. 

Slide 9 - Tekstslide

Andere ontkenningen
Ne ... pas = niet of geen.

Je hebt ook andere ontkenningen:
Niet meer = ne ... plus
Nooit = ne ... jamais
Niets = ne ... rien
Nog niet = ne .... pas encore

Het woordje ne is er dus altijd. Op de puntjes komt altijd de persoonsvorm!

Slide 10 - Tekstslide

Exemples
Ik ben niet meer ziek. = Je ne suis plus malade.
Ik heb nooit gezwommen. = Je n'ai jamais fait de la natation.
Hij heeft niets te doen. = Il n'a rien à faire.
Wij zijn nog niet moe. = Nous ne sommes pas encore fatigués.
Als de persoonsvorm met een klinker of stomme h begint, verandert ne in n'.
In het Frans staan alle werkwoorden bij elkaar. Het eerste werkwoord is de persoonsvorm!

Slide 11 - Tekstslide

Uitzonderingen!
Il y a = er is/ er zijn
Bij een ontkenning wordt dit: il n'y a pas

C'est = het is
Bij een ontkenning wordt dit: ce n'est pas

Slide 12 - Tekstslide

De na ontkenning
Bij de woorden:
un, une, du, de la, de l' en des --> de of d'

Hij eet een appel = Il mange une pomme.
Hij eet geen appel = Il ne mange pas de pomme.

Ik drink water = je bois de l'eau.
Ik drink nooit water = je ne bois jamais d'eau.

Slide 13 - Tekstslide

Le terrain de foot !

Slide 14 - Tekstslide

Évaluer et terminer
Hoe ging het vandaag?
Hoe vond je het spel? 
Wat heb je de volgende les nog van mij nodig om de toets goed te kunnen maken?

Les devoirs: faire le bilan

Au revoir ! :)

Slide 15 - Tekstslide