Stroomsterkte, spanning en weerstand

Spanning, stroom en weerstand
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 4

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Spanning, stroom en weerstand

Slide 1 - Tekstslide

Formules H5 (3de jaar)
P = U x I
Kosten E = E x kWh-prijs
E = P x t
Rendement = Enut/Etot x 100%
C = I x t
U = I x R 
Rv,serie = R1 + R2 + ..
Rv,par = (R1 x R2) : (R1 + R2) 
P = Vermogen      [W]  of [kW]
U = Spanning       [V]
I = Stroomsterkte [A]

E = Energie         [J]   of [kWh]
t = Tijd                 [s]   of   [h]
rendement           [%]
C = capaciteit       [Ah] (t in uur!)
R = Weerstand    [Ω]
Rv = vervangingsweerstand [Ω]

Slide 2 - Tekstslide

P = U x I
P = vermogen             in watt (W)
U = spanning              in volt (V)
I = stroomsterkte      in ampère (A)

  • De batterij heeft een spanning van 6 V                                                                       en een stroomsterkte van 2 A. Hoe groot                                                                         is het het vermogen van dit lampje?




Slide 3 - Tekstslide

Een autoaccu heeft een spanning van 12 volt. Om een auto te starten, is een stroomsterkte van 250 ampère nodig. Bereken het vermogen van de startmotor.

Slide 4 - Open vraag

Op een stopcontact zijn aangesloten: een lamp van 20 W, een computer van 150 W en een televisie van 200 W.
Bereken de totale stroomsterkte die het stopcontact levert.

Slide 5 - Open vraag

Wet van Ohm
U = Spanning (Volt)

I = Stroomsterkte (A)

R = Weerstand (Ohm)

Slide 6 - Tekstslide

Begrippen
Je kan je stroom ook een beetje voorstellen als water.

Spanning = hoeveel druk erachter zit. Lage spanning betekent dat stroom maar 'langzaam' loopt. Hoge spanning betekent dat de stroom 'harder' loopt.

Stroomsterkte is de hoeveelheid stroom die loopt. Hogere stroomsterkte is meer elektrische deeltjes. Net zoals een rivier met veel of weinig water.

Weerstand: Hoeveel moeite het kost. Bijvoorbeeld een smalle rivier (dunnere kabel) heeft meer weerstand. "Blokkades" zorgen voor meer weerstand.

Slide 7 - Tekstslide

Een rivier wordt smaller, maar er loopt even veel water door. Wat gebeurt er met de "weerstand"
A
Wordt groter
B
Wordt kleiner
C
Blijft gelijk

Slide 8 - Quizvraag

Een rivier wordt smaller, maar er loopt even veel water door. Wat gebeurt er met de snelheid van het water? (=Spanning)
A
Wordt groter
B
Wordt kleiner
C
Blijft gelijk

Slide 9 - Quizvraag

Check: Rekenen met formules
Kun je formules met 3 letters in een 'driehoek' zetten?

Bijvoorbeeld:
P = U x I
C = I x t
R = U : I

Slide 10 - Tekstslide

Strategie bij rekenen
Kijk welke twee gegevens (letters) zijn gegeven.
Het zijn er eigenlijk altijd twee!

Kijk welk gegeven er is gevraagd (welke letter hoort daarbij)

Zoek de juiste formule in BINAS --> Driehoekje --> Uitrekenen

Slide 11 - Tekstslide

Zelf maken
Alles t/m H2.4 Begrijpen & Beheersen

Klaar? Je kan alvast verder met H2.5
OF
'Extra opgaven' van H2.4

Slide 12 - Tekstslide