Herhalen blok 1 t/m 6

HOOFDLETTERS
  • Je begint iedere zin met een hoofdletter.
  • Namen schrijf je ook met een hoofdletter.
  • Feestdagen en merknamen schrijf je met een hoofdletter. 


  • Namen van maanden, dagen van de week, windstreken en seizoenen schrijf je NIET met een hoofdletter.
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 3

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

HOOFDLETTERS
  • Je begint iedere zin met een hoofdletter.
  • Namen schrijf je ook met een hoofdletter.
  • Feestdagen en merknamen schrijf je met een hoofdletter. 


  • Namen van maanden, dagen van de week, windstreken en seizoenen schrijf je NIET met een hoofdletter.

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plaats op de juiste plek(ken) de hoofdletter(s)

het vliegveld van het spaanse eiland is afgesloten

Slide 2 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
lente
B
Lente

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
Pasen
B
pasen

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
Ameland
B
ameland

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdletter of een hoofdletter?
A
Kerstmis
B
kerstmis

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een zelfstandig naamwoord?
A
lopen
B
boodschappen doen
C
wekker
D
staan

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen zelfstandig naamwoord?
A
roepen
B
kleding
C
schaal
D
kerstkaart

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

l of ll
Woorden met een l-klank schrijf je soms met één l en soms met twee. Dat kun je niet altijd horen. Je moet de spelling van deze woorden uit je hoofd leren. 

Als je twijfelt, gebruik je een woordenboek.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

l of ll

Midde...andse Zee
A
l
B
ll

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noteer het woord op de goede manier.
Kies uit l of ll
pitbu...

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noteer het woord op de goede manier.
Kies uit l of ll
a...ergie

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

 Spelling meervoud zelfstandige naamwoorden
Bij de meeste woorden schrijf je en of s achter het enkelvoud
Soms moet je een klinker weghalen of een medeklinker toevoegen.
Als er een verkeerde uitspraak kan ontstaan, schrijf je ’s, afkortingen en woorden eindigend op: a, o, u, i, y.
Als het woord eindigt op ee, schrijf je ën erachter.
Een f wordt vaak een v. Een s wordt vaak een z.
Soms bestaat alleen enkelvoud (rijst), soms alleen meervoud (chips).

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hieronder staan drie woorden. Kies bij elk zelfstandig naamwoord de juiste spelling van het meervoud.
1 Een bedrijf, twee …

A
bedrijven
B
bedrijfen
C
bedrijffen

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk zelfstandig naamwoord staat in het meervoud?
A
politie
B
liefde
C
goederen
D
postzegel

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Van welk zelfstandig naamwoord bestaat geen meervoud?
A
Paprika
B
Komkommer
C
Sla
D
Aardbei

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Van welk zelfstandig naamwoord kun je 2 meervoudsvormen schrijven?
A
Kerk
B
School
C
Sportclub
D
Museum

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Van welk zelfstandig naamwoord bestaat alleen een meervoudsvorm?
A
Hersenen
B
Borden
C
Tafels
D
Accu's

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verkleinwoorden
Bij de meeste woorden voeg je -je, -tje of -pje toe.
Bij woorden die eindigen op -ng schrijf je -nkje of -etje.
Bij woorden die eindigen op een lange klank, verdubbel je de klinker.
Bij woorden die eindigen op een -i, schrijf je ietje.
Bij woorden die eindigen op -y na een medeklinker, schrijf jetje (met apostrof).
Bij afkortingen met letters of cijfers schrijf je ’je of tje (met apostrof).

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een verkleinwoord?
A
het baby-bed
B
het poesje
C
de kitten
D
het kuiken

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verkleinwoorden
A
woningkje
B
woninkje

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verkleinwoorden
A
skietje
B
ski'tje

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verkleinwoord.
Wat is het verkleinwoord van de kano?
A
Kano'tje
B
Kanotje
C
Kanoo'tje
D
Kanootje

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Trema

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Trema
Wanneer gebruik je een trema?
A
Als binnen een woord klinkers botsen
B
Gewoon omdat het leuk staat.
C
als het een samenstelling is
D
als je denkt dat het moet, er is geen regel voor

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Trema of geen trema?
A
gekopïeerd
B
gekopieerd

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Trema of geen trema?
A
financien
B
financiën

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Trema of geen trema?
A
geinstalleerd
B
geïnstalleerd

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Lastige letters
p of pp, r of rr.

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

a...artement
A
p
B
pp

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

p of pp en r of rr?
"ha.….eren"
A
happeren
B
haperen

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

p of pp en r of rr?
"o......ening"
A
oppening
B
opening

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

p of pp en r of rr?
"i.....itant"
A
iritant
B
irritant

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Samenstelling
Een woord dat bestaat uit twee of meer kleinere woorden, 
heet een samenstelling.

Bijvoorbeeld: 
voetbalwedstrijd

Slide 34 - Tekstslide

Voetbalwedstrijd bestaat uit voetbal en wedstrijd, maar voetbal bestaat weer uit voet en bal. Deze samenstelling bestaat dus uit 3 woorden!
Koppelteken
Koppelteken:
In samenstellingen die verkeerd gelezen kunnen worden, plaatsen we een koppelteken:
zo-even, stage-uren, radio-omroep, na-apen.

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord met koppelteken is juist?
A
telefoon-hoesje
B
mini-jurk

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord lees je verkeerd zonder koppelteken?
A
autoongeluk
B
koppelteken
C
schooltas
D
politieagent

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Citaten
Als je woord voor woord opschrijft wat iemand zegt, noem je dat een citaat.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Citaten
Als je een citaat wilt gebruiken, zijn de regels:
  • Aanhalingstekens aan het begin en einde.
  • Begin het citaat met een hoofdletter.
  • Dubbele punt als het citaat in een zin begint.
  • Een punt, vraagteken of uitroepteken komt voor het laatste aanhalingsteken.
  • Onderbroken citaat? Gebruik komma's!

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dus... wat is een citaat?
A
Een moeilijk woord
B
Iets wat iemand zegt en je letterlijk overneemt
C
Een ander woord voor inleiding
D
Iets wat iemand alleen maar kan roepen

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een goed citaat?
A
Bas zei 'Ik ga een nieuwe telefoon kopen.'
B
'Kom je morgen langs?', vroeg hij.
C
Mijn vriendin zei: Wij gaan nu naar school.
D
'Ik heb een tien voor mijn toets gehaald'! riep hij.

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Plaats op de juiste plek in dit citaat de hoofdletter(s) en leestekens:
de toets was niet zo moeilijk zei mijn vriendin

Slide 42 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Komma
 De komma is een korte pauze in een zin.
Je gebruikt een komma...
bijvoorbeeld
als je iemand aanspreekt
'Hé, wat doe jij hier?'
tussen delen van een opsomming
In de zomer ga ik fietsen, zwemmen, wandelen en raften.
voor voegwoorden als: want, maar, omdat, zoals.
In deze zin staat een komma, want er staat een voegwoord in.
tussen twee persoonsvormen
Pas toen hij dat zei, vielen de puzzelstukjes op z'n plaats.

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

komma
A
Toen ze thuis kwam, zag ze dat de lamp al brandde.
B
Toen ze thuis kwam zag ze dat de lamp al brandde.

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

komma
A
Ik hou van chocolade, dropjes, spekjes en koekjes.
B
Ik hou van chocolade dropjes spekjes en koekjes.
C
Ik hou van chocolade , dropjes, spekjes, en koekjes.
D
Ik hou van chocolade , dropjes spekjes en koekjes.

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul op de juiste plek de komma in:
'Uw fietslamp staat nog aan mevrouw.'

Slide 46 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Beide of beiden?


Dezelfde regels gelden bij het kiezen tussen alle of allen, meeste of meesten, sommige en sommigen.

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beide of beiden?

De bedrijven gingen ... verhuizen.
A
beiden
B
beide

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Beide of beiden?
A
Beide ministers stellen kamervragen
B
Beiden ministers stellen kamervragen

Slide 49 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maken Spelling - blok 1 t/m 6

timer
10:00
Klaar?

  • ander huiswerk

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies