groep 8 thema 3.3 Taal actief

Taal groen, harde kaft 3.3
- blz. 92-93 lees 'Reisdagdroom’

- Leer de themawoorden op blz 93 goed voordat je naar de volgende slides met de quiz gaat :-) 
die gaat over de themawoordjes!
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

Onderdelen in deze les

Taal groen, harde kaft 3.3
- blz. 92-93 lees 'Reisdagdroom’

- Leer de themawoorden op blz 93 goed voordat je naar de volgende slides met de quiz gaat :-) 
die gaat over de themawoordjes!

Slide 1 - Tekstslide

Taal groen, harde kaft 3.3
Welke woordjes passen bij de nummers? Kies uit: tijdspanne, luxueuze, primitief, overbruggen, beknopt, comfortabele, verstreken EN neem de juiste nummers + woordjes over in je schrift.  In de volgende quiz-slide vul je de woordjes namelijk in.
Osman: Hoi Mabel, met Osman. Zijn jullie al op reis?
Mabel: Ja, we zitten heerlijk in onze (1) auto
Osman: Waarom zijn jullie niet met het vliegtuig?
Mabel: Mijn vader vindt de beperkte beenruimte in het vliegtuig heel (2) en de (3) stoelen waren al uitverkocht, vandaar.
Osman: Hoeveel tijd is er (4) sinds jullie vertrek uit Utrecht?
Mabel: Bijna tien uur, over twee uur zijn we in Montpellier. Daar overnachten we en morgen rijden we in zes uur naar Valencia. 
Osman: Dus de (5) van jullie autorit tijdens de heenreis is 18 uur? 
Mabel: Dat klopt. Trouwens, jij kan snel rekenen... Nog een sommetje: we rijden gemiddeld 100 km per uur. Welke afstand (6) we van Utrecht naar Valencia?
Osman: Eh.... Ja... stop even. Ik heb ook vakantie hoor. Ik reken het later wel uit, fijne reis nog!


Slide 2 - Tekstslide

Schrijf je nummers met antwoorden op de volgende manier
1 themawoordblabla
2 themawoordbla
3 blablabla

Slide 3 - Open vraag

Welk themawoord past bij de volgende beschrijving (let op de spelling!)
ergens heen gaan

Slide 4 - Open vraag

Welk themawoord past bij de volgende beschrijving (let op de spelling!)
superblij

Slide 5 - Open vraag

Welk themawoord past bij de volgende beschrijving (let op de spelling!)
de denkwijze

Slide 6 - Open vraag

Welk themawoord past bij de volgende beschrijving (let op de spelling!)
in bezit nemen

Slide 7 - Open vraag

Welk themawoord past bij de volgende beschrijving (let op de spelling!)
het gaat snel

Slide 8 - Open vraag

Herhaling taal: functiewoorden
Wat zijn functiewoorden ook al weer?

bekijk de volgende video goed! Je krijgt er een quizje over.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Functiewoorden
 functiewoorden verbinden de inhoudswoorden
welke functiewoorden moet je kennen?

lidwoord - lw: De, het, een
voorzetsel - vz (geven plaats en tijd aan): bijv. op, onder, in, tot
voegwoorden - vw (verbinden twee zinsdelen): en, maar, omdat
voornaamwoorden (vnw), hiervan heb je verschillende soorten, namelijk:
persoonlijk (p vnw), bezittelijk (b vnw) en aanwijzend (a vnw)


Slide 11 - Tekstslide

Functiewoorden vs. inhoudswoorden
 functiewoorden verbinden de inhoudswoorden

wat waren ook al weer inhoudswoorden?
Inhoudswoorden zeggen iets over de INHOUD van de zin, dus WAAR gaat het over en WAT gebeurt er?

Functiewoorden geven de dus de relatie TUSSEN inhoudswoorden aan

Slide 12 - Tekstslide

Functiewoorden vs. inhoudswoorden
Dus, functiewoorden verbinden de inhoudswoorden
welke functiewoorden moet je kennen? (neem ze goed door, want de volgende slide bevat een quiz hierover)

lidwoord - lw: De, het, een
voorzetsel - vz (geven plaats en tijd aan): bijv. op, onder, in, tot
voegwoorden - vw (verbinden twee zinsdelen): en, maar, omdat
voornaamwoorden (vnw), hiervan heb je verschillende soorten, namelijk:
persoonlijk (p vnw), bezittelijk (b vnw) en aanwijzend (a vnw)

Slide 13 - Tekstslide

tot welke woordsoort behoort het functiewoord tussen haakjes

(Ik) stapte voorzichtig in de rivier
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voornaamwoord
D
voegwoord

Slide 14 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

Ik stapte voorzichtig (in) de rivier
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voornaamwoord
D
voegwoord

Slide 15 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

Ik stapte voorzichtig in (de) rivier
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voornaamwoord
D
voegwoord

Slide 16 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

(In) het water schrobde ik de klei van de cassavewortels
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 17 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

In (het) water schrobde ik de klei van de cassavewortels
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 18 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

In het water schrobde (ik) de klei van de cassavewortels
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 19 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

In het water schrobde ik (de) klei van de cassavewortels
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 20 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

In het water schrobde ik de klei (van) de cassavewortels
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 21 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

In het water schrobde ik de klei van (de) cassavewortels
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 22 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

(ik) speurde naar goudklompjes op de bodem
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 23 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

ik speurde naar goudklompjes (op) de bodem
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 24 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

ik speurde (naar) goudklompjes op de bodem
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 25 - Quizvraag

tot welke woordsoort behoort het woord tussen haakjes

ik speurde naar goudklompjes op (de) bodem
A
lidwoord
B
voorzetsel
C
voegwoord
D
voornaamwoord

Slide 26 - Quizvraag

Herhaling thema 3
Nu gaan  we het nog even hebben over hoofdletters.

Bekijk de video op de volgende slide.

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

Hoofdletters
Dus: je gebruikt in het Nederlands hoofdletters in de volgende gevallen:

- Begin van de zin (Hij liep de trap op)
-Bij de directe rede (Hij liep de trap op en zei: 'Ga eens weg')
-Bij eigennamen (Lisa)
-aardrijkskundige namen (plaatsen, streken, landen, bergen, rivieren, hemellichamen): (Duitsland, Noord-Europa, Himalaya (is een gebergte), Rijn, Jupiter)
-Bij afleidingen van aardrijkskundige namen (dus namen van volken, en talen, inwoners van landen en plaatsen): Nederlanders, Nederlandse taal, Nederlands, Amsterdammers
-feestdagen en historische gebeurtenissen (Kerstmis, Eerste Wereldoorlog)

Slide 29 - Tekstslide

Welke woorden horen WEL met een hoofdletter te worden geschreven? Typ ze in de juiste volgorde met een spatie ertussen.
hij wil dolgraag uitvoerig nieuwjaar in new york vieren

Slide 30 - Open vraag

Welke woorden horen WEL met een hoofdletter te worden geschreven? Typ ze in de juiste volgorde met een spatie ertussen.
hij betrekt zijn vrienden piet en jan ook bij zijn amerikaanse obsessie

Slide 31 - Open vraag

Welke woorden horen WEL met een hoofdletter te worden geschreven? Typ ze in de juiste volgorde met een spatie ertussen
hij wil op times square met de nederlandse vlag zwaaien

Slide 32 - Open vraag

Welke woorden horen WEL met een hoofdletter te worden geschreven? Typ ze in de juiste volgorde met een spatie ertussen.
hij zegt: 'dan kom ik op televisie in de verenigde staten!'

Slide 33 - Open vraag

Welke woorden horen WEL met een hoofdletter te worden geschreven? Typ ze in de juiste volgorde met een spatie ertussen.
maar dit jaar viert hij oud en nieuw nog gewoon op het leidseplein

Slide 34 - Open vraag

herhaling: samengestelde zinnen
Bekijk de video op de volgende slide, het gaat over samengestelde zinnenn (blz 88-89 ging daar over)

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Video

Samengestelde zinnen
Dus: je moet weten wat het verschil is tussen een hoofdzin en een bijzin

hoofdzin: persoonsvorm (werkwoord) is het eerste of tweede woord
hoofdzin: persoonsvorm (werkwoord) en onderwerp staan naast elkaar


Bijzin: persoonsvorm staat achteraan of vaak achteraan
Bijzin: tussen onderwerp en persoonsvorm (werkwoord) kan een ander zinsdeel staan

Slide 37 - Tekstslide

Samengestelde zinnen
de 2 zinnen worden samengevoegd met een voegwoord (zoals: en, maar, want, omdat, of)

Ik wil werken, maar ik ben moe
hoofdzin                hoofdzin

omdat ik vakantie heb, ga ik naar de eilanden
bijzin                   hoofdzin
ik ga naar de eilanden, omdat ik vakantie heb
hoofdzin                           bijzin

Slide 38 - Tekstslide

werkwoorden met een vast voorzetsel
Bekijk goed de video over werkwoorden met een vast voorzetsel

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Video

Taal groen werkschrift
Neem je groene taal werkschrift voor je

maak
-thema 3 week 1 (blz 42-43)
-thema 3 week 2 (blz. 48-49)
als je dat af hebt, laat je het controleren door juf.

Slide 41 - Tekstslide

Spelling blauw
Neem nu je spellingboek (blauw) voor je op blz. 50-51

en bekijk de volgende video over 'apostrof'

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Video

spelling blauw
maak nu de opdrachten op blz 50-51

Als je daar klaar mee bent, ga je verder met 52 en 53 over het voltooid deelwoord.

Slide 44 - Tekstslide