les 8/6 indirecte reden

Wat zei hij?
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Wat zei hij?

Slide 1 - Tekstslide

Weet jij wat een citaat is?

Slide 2 - Woordweb

DUBBELE PUNT in een citaat
Als je iemands woorden letterlijk weergeeft, heet dat een ‘citaat’. Met een dubbele punt kun je een citaat aankondigen. Je zet het citaat tussen aanhalingstekens:
– Jasper zei: ‘Overmorgen ben ik jarig.’
– Danique vroeg: ‘Wie heeft zin in een potje voetbal?’
Als het citaat vooropstaat, gebruik je geen dubbele punt:
– ‘Overmorgen ben ik jarig’, zei Jasper.

Slide 3 - Tekstslide

De directe rede
Een citaat staat in de directe rede.

Je geeft direct (dus letterlijk) weer wat iemand zegt.

Slide 4 - Tekstslide

GEEN citaat
Als je iemands woorden in de indirecte rede weergeeft, 
dan vertel je OVER wat iemand heeft gezegd en
gebruik je geen aanhalingstekens en geen dubbele punt.

– Jasper zei dat hij overmorgen jarig is.

Slide 5 - Tekstslide

Directe en indirecte rede
quiz

Slide 6 - Tekstslide

Indirecte rede

Juf zegt dat we weer gaan oefenen met de directe rede en indirecte rede.

Slide 7 - Tekstslide

Directe rede

Juf zegt: 'We gaan weer oefenen met de 
directe rede en indirecte rede.'

Slide 8 - Tekstslide

: '              .'

Slide 9 - Tekstslide

Mike vroeg Vera heb je de toets goed gemaakt?


De bovenstaande zin kan met leestekens op twee manieren worden opgeschreven:

Wat wordt dan het verschil in de betekenis?

Slide 10 - Tekstslide

Mike vroeg Vera heb je de toets goed gemaakt?

Degene die de vraag stelt verschilt.


 1 = 
Mike vroeg: ‘Vera, heb je de toets goed gemaakt?’
Dan vraagt Mike iets aan Vera.

2 = ‘Mike,’ vroeg Vera ‘heb je de toets goed gemaakt?’
Dan vraagt Vera iets aan Mike.

Slide 11 - Tekstslide

Directe en indirecte rede
quiz

Slide 12 - Tekstslide

Indirecte rede

Juf zegt dat we weer gaan oefenen met de directe rede en indirecte rede.

Slide 13 - Tekstslide

Directe rede

Juf zegt: 'We gaan weer oefenen met de 
directe rede en indirecte rede.'

Slide 14 - Tekstslide

: '              .'

Slide 15 - Tekstslide

Welke zin staat er in de DIRECTE rede?
A
Mijn vader zegt dat hij morgen thuiskomt.
B
Mijn moeder roept: 'Kom direct thuis!'
C
Het meisje vertelt mij dat ze morgen jarig is.
D
Simon vertelde mij dat hij gister ziek was.

Slide 16 - Quizvraag

Welke zin staat in de INDIRECTE rede?
A
Simon zegt:'Ik heb geen zin meer!'
B
'Ben je daar eindelijk!', roept Henk
C
Vader fluistert: 'Ik heb een verrassing voor je.'
D
Ik vertel haar dat ik de tekening mooi vind.

Slide 17 - Quizvraag

Welke zin is helemaal juist?
A
Iza vraagt:'mag ik een ijsje?'
B
Iza vraagt: Mag ik een ijsje?
C
Iza vraagt:'Mag ik een ijsje?'
D
Iza vraagt: 'Mag ik een ijsje'?

Slide 18 - Quizvraag

Welke zin is helemaal juist?
A
Ik roep: Kijk uit!
B
Ik roep: 'Kijk uit.'
C
Ik roep:'Kijk uit!'
D
Ik roep 'Kijk uit!'

Slide 19 - Quizvraag

Welke zin staat in de INDIRECTE rede?
A
Mijn moeder zegt dat ik groente moet eten.
B
Mijn moeder zegt: 'Je moet groente eten!'
C
'Stop, politie!', hoor ik achter me.
D
'Ach, wat schattig!', zegt mijn oma.

Slide 20 - Quizvraag

Jasmijn vraagt of ik bij haar kom spelen.

Zet deze zin in de DIRECTE rede
A
Jasmijn vraagt: 'kom je bij mij spelen?'
B
Jasmijn vraagt: 'Kom je bij mij spelen?'
C
Jasmijn vraagt: 'Kom je bij mij spelen.'
D
Jasmijn vraagt 'Kom je bij mij spelen?'

Slide 21 - Quizvraag

Welk woord is fout?
A
hoeveelheid
B
manege
C
verrassing
D
mediecijnen

Slide 22 - Quizvraag

Welk woord is fout
A
afstammeling
B
opsie
C
notitie
D
redactie

Slide 23 - Quizvraag

Welk woord is fout
A
flauw
B
pouw
C
dauw
D
koud

Slide 24 - Quizvraag

Hij ....... mijn vraag.
A
beantwoord
B
beantwoordt
C
beantwoorde

Slide 25 - Quizvraag

hij ........er van
A
baaldt
B
baalde
C
baald
D
baaldde

Slide 26 - Quizvraag

Ik ...... er van.
A
blooste
B
blosde
C
bloosde
D
bloozde

Slide 27 - Quizvraag

Wij...... de hele kamer wit.
A
verfde
B
verfdden
C
verfden
D
verften

Slide 28 - Quizvraag

Het publiek ....
A
juichte
B
juichde
C
juichten
D
juigde

Slide 29 - Quizvraag

Het..... Ik kon niets meer zien.
A
miste
B
mistte

Slide 30 - Quizvraag

Ik ..... je. Fijn dat je er bent!
A
miste
B
mistte

Slide 31 - Quizvraag