1. Online identiteit: wie ben ik online? (ISK/NT2)

Les 1: Wie ben ik online?

ONLINE

IDENTITEIT

Actief! Burgerschap

ISK / NT2

1 / 25
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMentorlesBurgerschap+2ISK

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Introductie

Les 1 van het thema Online identiteit van Actief!. Leerlingen leren wat identiteit en imago zijn en wat het verschil is tussen hun offline en online identiteit. Ze kijken naar hun eigen sociale media, kiezen wat ze wel en niet online delen en leren drie vragen die ze zichzelf stellen voordat ze iets posten. Met woordenlijst, zinsstarters en aandacht voor privacy en veiligheid. Sluit aan bij de SLO-kerndoelen burgerschap 18A (respectvolle communicatie, offline en online) en 19B (eigen identiteit), bij de SLO-kerndoelen digitale geletterdheid 23A (veilig omgaan met privacy) en 23B (reflecteren op de eigen online identiteit), en bij LOWAN Burgerschap op de ISK, dimensie 2 (diversiteit samenleving).

Instructies

Onderdelen in deze les

Les 1: Wie ben ik online?

ONLINE

IDENTITEIT

Actief! Burgerschap

ISK / NT2

Deze les is een ISK/NT2-versie van Actief! Online identiteit les 1. De taal is eenvoudig (ongeveer A2), er is een woordenlijst en er zijn zinsstarters bij de open vragen.

Behandel de interactieve onderdelen met devices via www.lessonup.app. Geen devices? Doe de vragen klassikaal.

Tip: laat leerlingen de nieuwe woorden opschrijven in hun woordenschrift, met de vertaling in hun eigen taal.

Hoe werkt het?

  • Dit weet je al

  • Dit leer je nu

  • Doen

  • Terugkijken

  • Kijken

  • Klik hier

  • Afbeelding vergroten

Deze slide heeft geen instructies

1

Minder dan 1 uur

2

1 - 2 uur

3

2 - 3 uur

4

3 - 4 uur

5

Meer dan 4 uur

Hoeveel uur zit jij per dag op sociale media?

Laat leerlingen op hun telefoon kijken (schermtijd) of het schatten. Vraag ook welke apps ze gebruiken. Denk aan TikTok, Instagram, Snapchat, WhatsApp en YouTube, maar ook apps uit hun eigen land.

1

Nooit

2

Bijna nooit

3

Soms

4

Vaak

5

Heel vaak

Hoe vaak post jij iets op sociale media?

Doel: een beeld krijgen van hoe vaak de leerlingen iets posten. Kom hier later in de les op terug.

De antwoorden zijn anoniem. Bepaal zelf, afhankelijk van de sfeer in de klas, of je de namen toont.

Na de les:

  • Je weet wat identiteit en imago zijn.

  • Je weet wat een online identiteit is.

  • Je kent het verschil tussen offline en online.

  • Je weet wat je beter niet online deelt.

Aan het eind van de les kunnen de leerlingen vertellen wat een online identiteit is en wat het verschil is met hun offline identiteit. Ook weten ze wat ze beter niet online kunnen delen.

Belangrijke woorden

de identiteit = wie je bent

het imago = hoe anderen jou zien

offline = in het echt, niet op internet

online = op internet

sociale media = apps zoals TikTok, Instagram en Snapchat

posten = iets op internet zetten (een foto, een video, een bericht)

Lees de woorden samen hardop. Laat leerlingen elk woord herhalen.

Vraag: hoe zeg je dit woord in jouw taal? Leerlingen mogen de vertaling in hun woordenschrift zetten.

Welke woorden passen bij

online identiteit?

Bijvoorbeeld: foto, profiel, likes

1

minute

00

second

Woordweb: 1 minuut. Doel: voorkennis ophalen.

Leerlingen schrijven zoveel mogelijk woorden op die bij online identiteit passen: één woord of een korte zin. Geen devices? Laat ze op papier schrijven.

Bespreek daarna de antwoorden. Welke woorden komen vaak voor? Kun je ze in groepjes verdelen?

Identiteit

de identiteit = wie je bent.
Wat maakt jou anders dan anderen?

  • je gegevens: je naam, je adres, je geboortedatum

  • je karakter: hoe je bent

  • je uiterlijk: hoe je eruitziet

Vertel: je identiteit is wie jij bent. Die wordt onder andere gevormd door je afkomst, je geslacht, je ervaringen, je familie en je vrienden.

Bespreek met de leerlingen wat identiteit voor hen betekent. Een vingerafdruk is van iedereen anders: net als je identiteit.

Doen: identiteit en imago

  1. Maak groepjes van 3 of 4.

  2. Schrijf 3 woorden over jezelf op een geel briefje. Dat is je identiteit.

  3. Schrijf 3 woorden over iemand anders op een roze briefje.
    Dat is zijn of haar imago.

  4. Geef de briefjes terug. Is het hetzelfde of anders?

Woorden: aardig, grappig, rustig, sportief, slim, eerlijk, vrolijk, behulpzaam, creatief, stil, sterk, lief

Opdracht identiteit en imago. Duur: 10 minuten. Nodig: briefjes (post-its) in twee kleuren.

Leerlingen schrijven drie woorden over zichzelf op de ene kleur (identiteit) en drie woorden over een ander uit het groepje op de andere kleur (imago). Zorg dat iedereen minstens één briefje van een ander krijgt. De woorden onderaan helpen.

Om de beurt krijgt een leerling de briefjes van de anderen: dat is zijn of haar imago. Daarna laat de leerling de eigen briefjes zien: de identiteit.

Vraag: hoe verschillend zijn identiteit en imago? Waardoor krijg je een imago?

Let op: spreek af dat iedereen alleen aardige woorden over een ander opschrijft.

Wat maakt jou jezelf?

Zo begin je: Ik ben … / Ik hou van … / Ik kan goed …

Laat leerlingen eerst even nadenken. Ze mogen in hun eigen taal denken en daarna in het Nederlands antwoorden.

Offline identiteit

Online identiteit

Je praat met iemand in het echt. Jij bepaalt wat je vertelt.

Anderen zien:

  • je kleren en je uiterlijk

  • hoe je praat

  • je vrienden en je hobby's

Alles wat er over jou op internet staat. Wat jij post en wat anderen over jou posten. Veel mensen kunnen het zien.

Anderen zien:

  • je foto's en video's

  • je berichten en reacties

  • je likes

Offline heb je meer controle: je ziet wie er luistert en jij kiest wat je vertelt. Online staat informatie over jou lang en is die makkelijk te vinden, ook als anderen iets over jou posten.

Vraag: wat laat jij offline zien, en wat online? Is dat hetzelfde?

Offline

Allebei

Online

Offline

Allebei

Online

Wat laat jij zien? Offline, online of allebei?

Woordwolk met categorieën: wat laat jij offline en online zien?

Leerlingen typen woorden over zichzelf en kiezen bij elk woord een categorie: Offline (dat laat je alleen in het echt zien), Online (dat laat je alleen op internet zien) of Allebei. Bijvoorbeeld: sportief, grappig, rustig, mijn familie, mijn hobby.

Bespreek daarna: welke woorden staan bij allebei? Wat laten leerlingen alleen online of alleen offline zien? En wat houden ze liever helemaal voor zichzelf?

Zonder devices: leerlingen maken op papier drie kolommen (offline, allebei, online) en schrijven de woorden erin.

1

Ja, dat deel ik

2

Nee, dat deel ik niet

Wat deel jij online?

Een foto van je vakantie

Slide 13 tot en met 17: wat deel jij online? Doel: nadenken over wat je online zet.

Laat de vijf polls zien: een foto van je vakantie, van een feest, voor je huis, van een rommelige kamer, en een bericht dat het slecht met je gaat. Vraag steeds: waarom deel je dit wel of niet?

Geen devices? Laat leerlingen gaan staan of hun vinger opsteken als ze het wel zouden delen.

1

Ja, dat deel ik

2

Nee, dat deel ik niet

Wat deel jij online?

Een foto van een feest

Deze slide heeft geen instructies

1

Ja, dat deel ik

2

Nee, dat deel ik niet

Wat deel jij online?

Een foto voor je huis

Bespreek: op een foto voor je huis kunnen anderen zien waar je woont. Is dat veilig?

1

Ja, dat deel ik

2

Nee, dat deel ik niet

Wat deel jij online?

Een foto van je rommelige kamer

Deze slide heeft geen instructies

1

Ja, dat deel ik

2

Nee, dat deel ik niet

Wat deel jij online?

Dat het slecht met je gaat

Bespreek dit voorzichtig. Vertel ook waar leerlingen terechtkunnen als het niet goed met ze gaat, bijvoorbeeld bij de mentor of bij de vertrouwenspersoon op school.

Wanneer deel jij iets online? En wanneer niet?

Zo begin je: Ik deel iets als … / Ik deel iets niet als …

Deze vraag is anoniem. Kijk terug naar de vijf polls.

Wanneer posten de leerlingen wel iets en wanneer niet? Welke regels hebben ze voor zichzelf? Welke antwoorden komen vaak terug?

Wat deel je beter niet?

  • je adres en je telefoonnummer

  • dat je op vakantie bent: dan weten dieven dat je huis leeg is

  • foto's van anderen, als je het niet hebt gevraagd

  • foto's van je paspoort, je bankpas of andere privé-papieren

Vertel: als iets eenmaal op internet staat, is het heel moeilijk om het weg te halen.

Optioneel: maak het persoonlijk met een voorbeeld uit je eigen leven.

Let op voor ISK: voor sommige leerlingen en hun familie kan het onveilig zijn als anderen weten waar ze wonen of waar ze vandaan komen. Bespreek dat ze geen locatie, adres of verblijfplaats delen.

Denk na voordat je post

  1. Mag iedereen dit zien?

  2. Vind ik dit later ook nog goed? Of krijg ik spijt?

  3. Gaat het over iemand anders? Heb ik het gevraagd?

Stel jezelf deze drie vragen voordat je iets post. Oefen ze met een voorbeeld, bijvoorbeeld een grappige foto van een vriend.


Sleep de woorden naar de goede plek.

Wie je bent, is je


.

Hoe anderen jou zien, is je


.

Op internet zijn is


.

In het echt, niet op internet, is


.

online

imago

post

identiteit

offline

Een korte check op de belangrijkste woorden van de les. De leerlingen slepen elk woord naar de goede plek. Elk woord past op één plek. Let op, 'post' past nergens.

1

Eens

2

Oneens

Stelling:

Online kan ik meer mezelf zijn.

Vraag een paar leerlingen waarom ze eens of oneens zijn. Zijn ze online anders dan in het echt?

1

Nee, helemaal niet

2

Een beetje

3

Voor de helft

4

Bijna helemaal

5

Ja, helemaal

Laten jouw sociale media zien wie jij echt bent?

In het origineel is dit een schaal van 0 tot 100. Vraag door: wat laat je wel zien, en wat niet? Waarom?

Wat neem jij mee uit deze les?

Zo begin je: Ik heb geleerd dat … / Ik ga voortaan …

Laat leerlingen kort vertellen wat ze hebben geleerd. Extra vraag voor sterke leerlingen, als opstap naar les 2, welke invloed heeft sociale media op hoe jij je voelt?

Deze slide heeft geen instructies