Les 1: Wie ben ik online?
ONLINE
IDENTITEIT
Actief! Burgerschap
ISK / NT2
Les 1: Wie ben ik online?
ONLINE
IDENTITEIT
Actief! Burgerschap
ISK / NT2
Deze les is een ISK/NT2-versie van Actief! Online identiteit les 1. De taal is eenvoudig (ongeveer A2), er is een woordenlijst en er zijn zinsstarters bij de open vragen.
Behandel de interactieve onderdelen met devices via www.lessonup.app. Geen devices? Doe de vragen klassikaal.
Tip: laat leerlingen de nieuwe woorden opschrijven in hun woordenschrift, met de vertaling in hun eigen taal.
Hoe werkt het?
Dit weet je al
Dit leer je nu
Doen
Terugkijken
Kijken
Klik hier
Afbeelding vergroten
Deze slide heeft geen instructies
Minder dan 1 uur
1 - 2 uur
2 - 3 uur
3 - 4 uur
Meer dan 4 uur
Hoeveel uur zit jij per dag op sociale media?
Laat leerlingen op hun telefoon kijken (schermtijd) of het schatten. Vraag ook welke apps ze gebruiken. Denk aan TikTok, Instagram, Snapchat, WhatsApp en YouTube, maar ook apps uit hun eigen land.
Nooit
Bijna nooit
Soms
Vaak
Heel vaak
Hoe vaak post jij iets op sociale media?
Doel: een beeld krijgen van hoe vaak de leerlingen iets posten. Kom hier later in de les op terug.
De antwoorden zijn anoniem. Bepaal zelf, afhankelijk van de sfeer in de klas, of je de namen toont.
Na de les:
Je weet wat identiteit en imago zijn.
Je weet wat een online identiteit is.
Je kent het verschil tussen offline en online.
Je weet wat je beter niet online deelt.
Aan het eind van de les kunnen de leerlingen vertellen wat een online identiteit is en wat het verschil is met hun offline identiteit. Ook weten ze wat ze beter niet online kunnen delen.
Belangrijke woorden
de identiteit = wie je bent
het imago = hoe anderen jou zien
offline = in het echt, niet op internet
online = op internet
sociale media = apps zoals TikTok, Instagram en Snapchat
posten = iets op internet zetten (een foto, een video, een bericht)
Lees de woorden samen hardop. Laat leerlingen elk woord herhalen.
Vraag: hoe zeg je dit woord in jouw taal? Leerlingen mogen de vertaling in hun woordenschrift zetten.
Welke woorden passen bij
online identiteit?
Bijvoorbeeld: foto, profiel, likes
minute
second
Woordweb: 1 minuut. Doel: voorkennis ophalen.
Leerlingen schrijven zoveel mogelijk woorden op die bij online identiteit passen: één woord of een korte zin. Geen devices? Laat ze op papier schrijven.
Bespreek daarna de antwoorden. Welke woorden komen vaak voor? Kun je ze in groepjes verdelen?
Identiteit
de identiteit = wie je bent.
Wat maakt jou anders dan anderen?
je gegevens: je naam, je adres, je geboortedatum
je karakter: hoe je bent
je uiterlijk: hoe je eruitziet
Vertel: je identiteit is wie jij bent. Die wordt onder andere gevormd door je afkomst, je geslacht, je ervaringen, je familie en je vrienden.
Bespreek met de leerlingen wat identiteit voor hen betekent. Een vingerafdruk is van iedereen anders: net als je identiteit.
Doen: identiteit en imago
Maak groepjes van 3 of 4.
Schrijf 3 woorden over jezelf op een geel briefje. Dat is je identiteit.
Schrijf 3 woorden over iemand anders op een roze briefje.
Dat is zijn of haar imago.
Geef de briefjes terug. Is het hetzelfde of anders?
Woorden: aardig, grappig, rustig, sportief, slim, eerlijk, vrolijk, behulpzaam, creatief, stil, sterk, lief
Opdracht identiteit en imago. Duur: 10 minuten. Nodig: briefjes (post-its) in twee kleuren.
Leerlingen schrijven drie woorden over zichzelf op de ene kleur (identiteit) en drie woorden over een ander uit het groepje op de andere kleur (imago). Zorg dat iedereen minstens één briefje van een ander krijgt. De woorden onderaan helpen.
Om de beurt krijgt een leerling de briefjes van de anderen: dat is zijn of haar imago. Daarna laat de leerling de eigen briefjes zien: de identiteit.
Vraag: hoe verschillend zijn identiteit en imago? Waardoor krijg je een imago?
Let op: spreek af dat iedereen alleen aardige woorden over een ander opschrijft.
Wat maakt jou jezelf?
Zo begin je: Ik ben … / Ik hou van … / Ik kan goed …
Laat leerlingen eerst even nadenken. Ze mogen in hun eigen taal denken en daarna in het Nederlands antwoorden.
Offline identiteit
Online identiteit
Je praat met iemand in het echt. Jij bepaalt wat je vertelt.
Anderen zien:
je kleren en je uiterlijk
hoe je praat
je vrienden en je hobby's
Alles wat er over jou op internet staat. Wat jij post en wat anderen over jou posten. Veel mensen kunnen het zien.
Anderen zien:
je foto's en video's
je berichten en reacties
je likes
Offline heb je meer controle: je ziet wie er luistert en jij kiest wat je vertelt. Online staat informatie over jou lang en is die makkelijk te vinden, ook als anderen iets over jou posten.
Vraag: wat laat jij offline zien, en wat online? Is dat hetzelfde?
Offline
Allebei
Online
Offline
Allebei
Online
Wat laat jij zien? Offline, online of allebei?
Woordwolk met categorieën: wat laat jij offline en online zien?
Leerlingen typen woorden over zichzelf en kiezen bij elk woord een categorie: Offline (dat laat je alleen in het echt zien), Online (dat laat je alleen op internet zien) of Allebei. Bijvoorbeeld: sportief, grappig, rustig, mijn familie, mijn hobby.
Bespreek daarna: welke woorden staan bij allebei? Wat laten leerlingen alleen online of alleen offline zien? En wat houden ze liever helemaal voor zichzelf?
Zonder devices: leerlingen maken op papier drie kolommen (offline, allebei, online) en schrijven de woorden erin.
Ja, dat deel ik
Nee, dat deel ik niet
Wat deel jij online?
Een foto van je vakantie
Slide 13 tot en met 17: wat deel jij online? Doel: nadenken over wat je online zet.
Laat de vijf polls zien: een foto van je vakantie, van een feest, voor je huis, van een rommelige kamer, en een bericht dat het slecht met je gaat. Vraag steeds: waarom deel je dit wel of niet?
Geen devices? Laat leerlingen gaan staan of hun vinger opsteken als ze het wel zouden delen.
Ja, dat deel ik
Nee, dat deel ik niet
Wat deel jij online?
Een foto van een feest
Deze slide heeft geen instructies
Ja, dat deel ik
Nee, dat deel ik niet
Wat deel jij online?
Een foto voor je huis
Bespreek: op een foto voor je huis kunnen anderen zien waar je woont. Is dat veilig?
Ja, dat deel ik
Nee, dat deel ik niet
Wat deel jij online?
Een foto van je rommelige kamer
Deze slide heeft geen instructies
Ja, dat deel ik
Nee, dat deel ik niet
Wat deel jij online?
Dat het slecht met je gaat
Bespreek dit voorzichtig. Vertel ook waar leerlingen terechtkunnen als het niet goed met ze gaat, bijvoorbeeld bij de mentor of bij de vertrouwenspersoon op school.
Wanneer deel jij iets online? En wanneer niet?
Zo begin je: Ik deel iets als … / Ik deel iets niet als …
Deze vraag is anoniem. Kijk terug naar de vijf polls.
Wanneer posten de leerlingen wel iets en wanneer niet? Welke regels hebben ze voor zichzelf? Welke antwoorden komen vaak terug?
Wat deel je beter niet?
je adres en je telefoonnummer
dat je op vakantie bent: dan weten dieven dat je huis leeg is
foto's van anderen, als je het niet hebt gevraagd
foto's van je paspoort, je bankpas of andere privé-papieren
Vertel: als iets eenmaal op internet staat, is het heel moeilijk om het weg te halen.
Optioneel: maak het persoonlijk met een voorbeeld uit je eigen leven.
Let op voor ISK: voor sommige leerlingen en hun familie kan het onveilig zijn als anderen weten waar ze wonen of waar ze vandaan komen. Bespreek dat ze geen locatie, adres of verblijfplaats delen.
Denk na voordat je post
Mag iedereen dit zien?
Vind ik dit later ook nog goed? Of krijg ik spijt?
Gaat het over iemand anders? Heb ik het gevraagd?
Stel jezelf deze drie vragen voordat je iets post. Oefen ze met een voorbeeld, bijvoorbeeld een grappige foto van een vriend.
Sleep de woorden naar de goede plek.
Wie je bent, is je
.
Hoe anderen jou zien, is je
.
Op internet zijn is
.
In het echt, niet op internet, is
.
online
imago
post
identiteit
offline
Een korte check op de belangrijkste woorden van de les. De leerlingen slepen elk woord naar de goede plek. Elk woord past op één plek. Let op, 'post' past nergens.
Eens
Oneens
Stelling:
Online kan ik meer mezelf zijn.
Vraag een paar leerlingen waarom ze eens of oneens zijn. Zijn ze online anders dan in het echt?
Nee, helemaal niet
Een beetje
Voor de helft
Bijna helemaal
Ja, helemaal
Laten jouw sociale media zien wie jij echt bent?
In het origineel is dit een schaal van 0 tot 100. Vraag door: wat laat je wel zien, en wat niet? Waarom?
Wat neem jij mee uit deze les?
Zo begin je: Ik heb geleerd dat … / Ik ga voortaan …
Laat leerlingen kort vertellen wat ze hebben geleerd. Extra vraag voor sterke leerlingen, als opstap naar les 2, welke invloed heeft sociale media op hoe jij je voelt?
Deze slide heeft geen instructies