H2.1 tm 2.3 Eenmanszaak - herhaling

2.1 Ondernemerschap
  1. Je kunt uitleggen dat er twee verschillende visies zijn op ondernemerschap en het oprichten van een eigen bedrijf.
  2. Je kunt het marktaandeel van een onderneming berekenen.
  3. Je kunt de vier marketinginstrumenten uit de marketingmix noemen.
  4. Je kunt uitleggen dat een product bestaat uit tastbare en niet-tastbare eigenschappen.
  5. Je kunt het doel van reclame en soorten reclame uitleggen.
  6. Je kunt het verschil tussen directe en indirecte distributie uitleggen.
  7. Je kunt de prijsstrategieën afroompolitiek en penetratiepolitiek uitleggen.
  8. Je kunt het verschil tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon uitleggen.
  9. Je kunt de belangrijkste kenmerken van de rechtsvormen eenmanszaak, besloten vennootschap noemen (oprichtingsverplichtingen, eigendom en leiding, aansprakelijkheid, belasting)
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

2.1 Ondernemerschap
  1. Je kunt uitleggen dat er twee verschillende visies zijn op ondernemerschap en het oprichten van een eigen bedrijf.
  2. Je kunt het marktaandeel van een onderneming berekenen.
  3. Je kunt de vier marketinginstrumenten uit de marketingmix noemen.
  4. Je kunt uitleggen dat een product bestaat uit tastbare en niet-tastbare eigenschappen.
  5. Je kunt het doel van reclame en soorten reclame uitleggen.
  6. Je kunt het verschil tussen directe en indirecte distributie uitleggen.
  7. Je kunt de prijsstrategieën afroompolitiek en penetratiepolitiek uitleggen.
  8. Je kunt het verschil tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon uitleggen.
  9. Je kunt de belangrijkste kenmerken van de rechtsvormen eenmanszaak, besloten vennootschap noemen (oprichtingsverplichtingen, eigendom en leiding, aansprakelijkheid, belasting)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een marktaandeel is:
A
Het aandeel dat een onderneming heeft in de totale afzet of omzet op een markt in een bepaalde periode
B
Hoeveel afzet een onderneming heeft in een maand ten opzichte van het vorige jaar.
C
Hoeveel winst een onderneming heeft behaald in een bepaalde periode
D
Aandelen van de markt

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is afzet?
A
omzet
B
aantal verkochte producten
C
inkoopwaarde
D
winst

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Marktaandeel bereken je door ......
A
afzet bedrijf/ afzet totale markt x 100%
B
afzet totale markt/ afzet bedrijf
C
afzet x afzet
D
afzet x inkoopprijs

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bereken het marktaandeel o.b.v de afzet voor Samsung:


Samsung
30.000
Apple
75.000
LG
10.000
Huawei
25.000
Overig
5.000
A
25,3%
B
21,4%
C
19,5%
D
20,7%

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem de vier prijsstrategieën?

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Een zzp'er heeft altijd een eenmanszaak
A
Juist
B
Onjuist

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een eenmanszaak is een rechtspersoon
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie is aansprakelijk bij een rechtspersoon?
A
De eigenaar
B
De onderneming

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een voordeel van een BV in plaats van een eenmanszaak?
A
Hoeft geen belasting te betalen
B
Kan makkelijker beslissingen maken
C
Alle winst is dan gelijk voor de eigenaar
D
Kan makkelijker aan geld komen

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is van toepassing op een eenmanszaak?
A
Geen scheiding privé/ondernemingsvermogen
B
Wel scheiding privé/ondernemingsvermogen
C

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je koopt online bij Samsung de nieuwste telefoon en wordt bij je thuis afgeleverd.
A
Directe distributie
B
Indirecte distributie

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat verstaan we onder productbeleid
A
De plaats waar de onderneming is gevestigd
B
Fysieke kenmerken zoals afmeting, kleur geur, verpakking
C
Hoe het product wordt verkocht
D
De wijze waarop het product bij de klant komt

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De marketingmix bestaat uit..
A
Prijs, product, personeel, presentatie.
B
Kwaliteit, prijs, promotie, plaats.
C
Product, prijs, plaats, promotie.
D
Prijs, plaats, promotie, personeel.

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2.2 Personeel
  1. Je kunt de belangrijkste begrippen bij personeelsbeleid uitleggen: functieprofiel, vacature, sollicitatiegesprek.
  2. Je kunt het verschil tussen een individuele arbeidsovereenkomst en een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) uitleggen.
  3. Je kunt de belangrijkste kenmerken van een vast contract en flexibel contract noemen.
  4. Je kunt de verschillende ontslagroutes en redenen voor ontslag uitleggen.
  5. Je kunt het begrip transitievergoeding uitleggen.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een voorbeeld van een PRIMAIRE arbeidsvoorwaarde?

A
B
C
D

Slide 16 - Quizvraag

Vakantiegeld, onthoud het ezelsbruggetje; directe koppeling aan loon (vaak een maandsalaris).
In welke situatie mogen de arbeidsvoorwaarden van een individuele arbeidsovereenkomst afwijken van de arbeidsvoorwaarden van een algemeen bindend verklaarde cao?
A
Alleen als dit in het voordeel van de werknemer is.
B
Alleen als dit in het voordeel van de werkgever is.
C
Alleen als de werknemer in kwestie niet is aangesloten bij een vakbond.
D
Alleen als de werkgever in kwestie niet is aangesloten bij een werkgeversorganisatie.

Slide 17 - Quizvraag

Makkelijke vraag volgens mij, mag alleen als het in het voordeel van de werknemer is. Je hoeft geen lid te zijn van een vakbond want cao's gelden voor alle werknemers in de bedrijfstak en een werkgever kan de cao niet ontwijken door zich niet aan te sluiten bij een werkgeversorganisatie.
Wat is een vacature?
A
Een vacature is een manier om te solliciteren
B
Een vacature is een baan die niet meer beschikbaar is
C
Een vacature is een baan die vrij is
D
Een vacature is een manier om te solliciteren

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Er zijn in totaal 160.000 baantjes.
Hoeveel jongeren bezorgen kranten?

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Pim is vakkenvuller bij de AH. Hij werkt 12 uur per week. Werkt hij fulltime of parttime?
A
Fulltime (voltijd)
B
Parttime (deeltijd)
C
hij werkt niet, vakkenvullen is een hobby
D
hij werkt zwart

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurt er met het NETTOloon als de sociale premies en loonbelasting omlaag kunnen?
A
Het nettoloon stijgt
B
Het nettoloon blijft gelijk
C
Het nettoloon daalt

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is altijd een verschil tussen bepaalde en onbepaalde tijd?
A
Het salaris
B
De proeftijd
C
Wanneer het contract stopt
D
Aantal vakantiedagen

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat houdt de transitievergoeding in?
A
Alle werknemers hebben na een arbeidsovereenkomst van ten minste twee jaar, waarnaar ontslag volgt, recht op transitievergoeding.
B
Transitievergoeding geldt alleen voor medewerkers met contracten voor onbepaalde tijd.
C
De transitievergoeding is een vergoeding na ontslag die zowel voor werknemers als zelfstandig ondernemers geldt.
D
Alle medewerkers die een tijdelijk contract hebben dat niet verlengd wordt, hebben recht op een transitievergoeding.

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2.3 Balans en Resultaat
  1. Je kent de verschillende vormen van vaste activa, vlottende activa en liquide middelen.
  2. Je kent de verschillende vormen van eigen vermogen, lang vreemd vermogen en kort vreemd vermogen.
  3. Je kunt verschillende manieren noemen om de investeringen van een onderneming te financieren.
  4. Je kunt de balans van een onderneming in de juiste liquiditeitsvolgorde opstellen.
  5. Je kunt het resultaat voor belasting en na belasting van een onderneming berekenen.
  6. Je kunt uitleggen wat afschrijven van vaste activa betekent.
  7. Je kunt het verschil tussen economische en technische levensduur uitleggen.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Balans per 1-1-2024

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht van de opbrengsten, kosten en winst in een jaar.
Kasgeld en banktegoed.
liquide middelen
debiteuren
balans
resultaten-
rekening
vaste activa
Klanten die hun rekening nog moeten betalen.
Een overzicht van de bezittingen en schulden op een bepaald moment.
Bezittingen die langer dan één productieproces of een jaar meegaan.

Slide 26 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Een resultatenrekening is een overzicht van:
A
de inkomsten en uitgaven
B
de bezittingen en het vermogen
C
de opbrengsten en kosten
D
het eigen vermogen en vreemd vermogen

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mick verkoopt computerspelletjes voor € 45,- per stuk. Hij verkoopt er 120.
Hoeveel is zijn afzet?

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Mick verkoopt computerspelletjes voor € 45,- per stuk. Hij verkoopt er 120.
Hoeveel is zijn omzet?

Slide 30 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een balans?
A
een overzicht van de bezittingen en schulden
B
Een overzicht van de vaste- en vlottende activa
C
een overzicht van de gekochte goederen
D
een overzicht van de voorraad

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De omzet is € 7.800,-
De kosten bedragen € 9.230,-
Is er winst of verlies? En hoeveel euro dan?

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Je hebt een auto gekocht voor € 18.000,-
Deze auto gaat 15 jaar mee.
Hoeveel moet je per jaar afschrijven?

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn activa in de balans?
A
Bezittingen van een onderneming
B
Korte termijnleningen
C
Voorraad en machines
D
Schulden en verplichtingen

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies